Eiser, een Colombiaanse vreemdeling, diende op 25 juni 2023 een asielaanvraag in na een incident in 2018 waarbij hij werd benaderd voor rekrutering door de FARC. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat de vrees voor gedwongen rekrutering niet gerelateerd was aan een grond uit het Vluchtelingenverdrag en dat eiser vijf jaar na het incident pas vertrok uit Colombia.
Eiser voerde in beroep aan dat de afwijzing onterecht was omdat hij gegronde redenen had voor zijn vrees, waaronder erkenning als slachtoffer door een organisatie en de onveilige situatie na de verkiezing van ex-guerilla Petro tot president. Verweerder erkende dat de aanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen worden afgewezen, maar handhaafde de afwijzing op inhoudelijke gronden.
De rechtbank oordeelde dat de afwijzing als kennelijk ongegrond onjuist was, maar dat verweerder terecht had geconcludeerd dat eiser geen verblijfsvergunning asiel toekomt. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand, behalve het onthouden van een vertrektermijn en het opgelegde inreisverbod, waarvoor een vertrektermijn van vier weken wordt vastgesteld.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M. van Nooijen.