ECLI:NL:RBDHA:2023:13773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 augustus 2023
Publicatiedatum
13 september 2023
Zaaknummer
NL23.14575
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12, vierde lid, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 3.113, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.109c, achtste en negende lid, Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Polen

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Ethiopische asielzoeker die in Nederland internationale bescherming vroeg, maar van wie de aanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Polen op grond van het Dublin-verdrag verantwoordelijk is. De asielzoeker betwistte zijn geregistreerde identiteit en geboortedatum, stelde dat het besluit onzorgvuldig tot stand kwam en voerde aan dat Polen het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet naleeft vanwege pushbacks, discriminatie van LHBTI-personen en onvoldoende medische zorg.

De rechtbank oordeelde dat de identiteit en geboortedatum zoals geregistreerd in het EU-visum terecht als juist worden aangenomen, omdat de asielzoeker onvoldoende bewijs leverde voor het tegendeel. Ook was er geen sprake van onzorgvuldigheid bij het aanmeldgehoor en de mogelijkheid tot het indienen van correcties. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt in beginsel, en de aangevoerde omstandigheden in Polen zijn onvoldoende om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling of onvoldoende medische zorg.

Hoewel pushbacks in Polen voorkomen, is niet gebleken dat deze relevant zijn voor Dublinclaimanten zoals eiser die toestemming hebben om het Poolse grondgebied te betreden. De positie van LHBTI-personen in Polen is zorgelijk, maar er is geen bewijs van systematische discriminatie of geweld zonder bescherming. Medische omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering omdat geen ernstige risico’s op onomkeerbare gezondheidsschade zijn aangetoond.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De asielaanvraag mag worden overgedragen aan Polen. De eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen omdat Polen verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.14575 (beroep) en NL23.14576 (verzoek)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser/verzoeker], eiser/verzoeker (hierna: eiser),

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Wischhoff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 15 mei 2023 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en verzoek op 22 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw L. Abajebel als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt [naam] te zijn, geboren op [geboortedag] 1996 en de Ethiopische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 7 januari 2023 in Nederland om internationale bescherming gevraagd. Omdat de Poolse autoriteiten eiser een visum hebben verstrekt, heeft verweerder Polen gevraagd de behandeling van eisers asielaanvraag over te nemen. Polen is op 30 maart 2023 akkoord gegaan met dit verzoek. [1]
3. Verweerder heeft met het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag. [2]
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
4. Eiser betoogt allereerst dat verweerder ten onrechte uitgaat van de naam en geboortedatum in EU-vis. Hij heeft ter onderbouwing van zijn gestelde identiteit en geboortedatum een kopie van zijn resident ID-card overgelegd verstrekt door Addis Ababa City. Hij stelt verder dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor in te dienen althans dat deze door verweerder onvoldoende zijn betrokken bij het bestreden besluit. Eiser stelt ook dat verweerder bij Polen ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verzoekt de rechtbank om de beantwoording van de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 juni 2022 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over Polen en de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel af te wachten. [3] Polen maakt zich namelijk schuldig aan pushbacks. Daar komt bij dat eiser als homoseksueel en vanwege zijn huidskleur een reële vrees heeft voor onmenselijke behandelingen en discriminatie in Polen. [4] Tot slot stelt eiser dat hij in Polen niet de noodzakelijk zorg zal krijgen voor zijn hiv-besmetting.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Identiteit en geboortedatum
5. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom hij uitgaat van de identiteit en geboortedatum zoals is geregistreerd in EU-vis bij de visumaanvraag ([eiser/verzoeker], geboren op [geboortedag] 1994). Een visum moet in persoon worden aangevraagd, omdat bij de aanvraag een paspoort moet worden overgelegd en vingerafdrukken worden afgenomen. Dit maakt dat verweerder terecht uitgaat van de juistheid van de informatie in EU-vis en het aan eiser is om aan te tonen dat in zijn geval deze informatie onjuist is. [5] Eiser is hierin niet geslaagd, omdat verweerder een kopie van een resident ID-card terecht onvoldoende vindt. Naast dat er geen origineel van dit document is overgelegd, is niet duidelijk op basis van welk brondocument de resident ID-card is verstrekt.
Correcties en aanvullingen
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat eiser en zijn gemachtigde onvoldoende tijd zouden hebben gehad om correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor in te dienen. Niet in geschil is dat het aanmeldgehoor op 4 februari 2023 heeft plaatsgevonden, eiser op 4 april 2023 is toegewezen aan zijn gemachtigde en verweerder op 13 april 2023 het voornemen heeft uitgebracht. Dit gaf gemachtigde ruim een week de tijd om het gehoor met eiser te bespreken en correcties en aanvullingen in te dienen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit geen onredelijke termijn is, mede gelet op het feit dat in de algemene asielprocedure er maar één dag voor het indienen van correcties en aanvullingen staat. [6] Daar komt bij dat uit de beleidsregels volgt dat verweerder het rapport van het Dublingehoor uiterlijk tegelijkertijd met het voornemen bekend moet maken en eiser tot en met de zienswijze de tijd heeft om correcties en aanvullingen in te dienen. [7] Tot slot is het de rechtbank niet gebleken dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de door eiser ingediende correcties en aanvullingen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Het uitgangspunt is dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Polen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met het claimakkoord garandeert Polen dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen, met inachtneming van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de verschillende Europese richtlijnen. Het is aan eiser om te onderbouwen dat dit anders is en met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt om onderworpen te worden aan folteringen of aan onmenselijke of vernederde behandelingen of bestraffingen. [8] Bijvoorbeeld omdat de Poolse autoriteiten hun internationale verplichtingen niet nakomen door tekortkomingen in de asielprocedure, de opvang of de medische zorg. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [9]
8. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat Polen niet voldoet aan zijn internationale verplichtingen of dat er tekortkomingen zijn die structureel zijn en de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Hoewel niet in geschil is dat er in Polen pushbacks plaatsvinden en dit een fundamentele systeemfout in de asielprocedure is, heeft eiser geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat dit ook relevant is voor Dublinclaimanten. Eiser heeft, anders dan de vreemdelingen die aan de buitengrenzen van Polen met pushbacks te maken krijgen, door het expliciete claimakkoord toestemming van de Poolse autoriteiten om het grondgebied te betreden. Hij heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat ondanks deze waarborgen hij bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt om met een pushback te maken te krijgen.
9. Verder overweegt de rechtbank dat, hoewel uit de door eiser overgelegde informatie volgt dat de positie van de LHBTI-gemeenschap in Polen zorgelijk is, niet is gebleken dat LHBTI’ers in Polen het slachtoffer worden van stelselmatige, wetmatige discriminatie of geweld van overheidswege of van anderen waartegen de Poolse autoriteiten geen enkele bescherming kunnen bieden. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 juli 2022. [10] De door eiser overgelegde informatie schets geen wezenlijk ander beeld.
10. De rechtbank ziet gelet op het bovenstaande geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch af te wachten. Eiser heeft onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om niet uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Medische omstandigheden
11. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de medische omstandigheden die door eiser naar voren zijn gebracht geen reden zijn om af te zien van het bestreden besluit. Uit de overgelegde medische stukken volgt niet op voorhand dat sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening waarbij de overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand. Niet gebleken is dat een onderbreking van de behandeling door een reis onomkeerbare gevolgen heeft voor eisers gezondheid. Ook is niet gebleken dat Nederland het aangewezen land is voor de behandeling. Verweerder stelt terecht dat eiser in Polen de noodzakelijke medische zorg kan krijgen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Polen vergelijkbaar zijn met die in Nederland, dat Polen in staat is eisers medische klachten te behandelen en dat eiser na aankomst toegang heeft tot de nodige behandelingen. Niet gebleken is dat dit niet het geval is voor de medische klachten die eiser heeft.

Conclusie en gevolgen

12. Omdat geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen. Dit betekent dat verweerder eiser mag overdragen aan Polen.
13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen één weekna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
2.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Eiser verwijst daarbij naar de pagina op wikipedia.org over LGBT Rights in Poland en informatie van VluchtelingenWerk Nederland over de positie van LHBTI’ers van juli 2023.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:661, r.o. 3.1).
6.Zie artikel 3.113, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (het Vb 2000).
7.Zie paragraaf C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 3.109c, achtste en negende lid, van het Vb 2000.
8.Als bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
10.ECLI:NL:RBDHA:2022:6488, specifiek r.o. 11.1.