De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Ethiopische asielzoeker die in Nederland internationale bescherming vroeg, maar van wie de aanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Polen op grond van het Dublin-verdrag verantwoordelijk is. De asielzoeker betwistte zijn geregistreerde identiteit en geboortedatum, stelde dat het besluit onzorgvuldig tot stand kwam en voerde aan dat Polen het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet naleeft vanwege pushbacks, discriminatie van LHBTI-personen en onvoldoende medische zorg.
De rechtbank oordeelde dat de identiteit en geboortedatum zoals geregistreerd in het EU-visum terecht als juist worden aangenomen, omdat de asielzoeker onvoldoende bewijs leverde voor het tegendeel. Ook was er geen sprake van onzorgvuldigheid bij het aanmeldgehoor en de mogelijkheid tot het indienen van correcties. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt in beginsel, en de aangevoerde omstandigheden in Polen zijn onvoldoende om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling of onvoldoende medische zorg.
Hoewel pushbacks in Polen voorkomen, is niet gebleken dat deze relevant zijn voor Dublinclaimanten zoals eiser die toestemming hebben om het Poolse grondgebied te betreden. De positie van LHBTI-personen in Polen is zorgelijk, maar er is geen bewijs van systematische discriminatie of geweld zonder bescherming. Medische omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering omdat geen ernstige risico’s op onomkeerbare gezondheidsschade zijn aangetoond.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De asielaanvraag mag worden overgedragen aan Polen. De eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.