ECLI:NL:RBDHA:2023:13835
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking asielvergunning wegens vermeende verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland vernietigd
Eiser, een Somalische asielzoeker, kreeg in 2008 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die meerdere malen werd verlengd. In juni 2022 trok de staatssecretaris deze vergunning met terugwerkende kracht in per 8 december 2021, omdat eiser niet meer in Nederland zou zijn ingeschreven. Eiser stelde beroep in, maar dit was te laat ingediend. De rechtbank oordeelt echter dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat eiser door omstandigheden, waaronder huisuitzetting en dakloosheid, niet eerder van het besluit op de hoogte kon zijn.
De rechtbank beoordeelt inhoudelijk dat eiser met bankafschriften heeft aangetoond dat hij in de periode waarop de intrekking ziet, regelmatig betalingen in Nederland heeft gedaan, wat wijst op verblijf in Nederland. Hierdoor is de intrekking op grond van artikel 32, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 onterecht. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de proceskosten worden aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de asielvergunning wordt vernietigd.