ECLI:NL:RBDHA:2023:14147
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht in Dublinprocedure
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke overdracht aan Oostenrijk in het kader van de Dublinverordening en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder openbare behandeling vanwege het spoedeisende karakter.
De kern van het geschil is of de uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Verzoeker stelt dat deze termijn op 14 september 2023 is verstreken door optelling van periodes en verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie. Verweerder betoogt dat de termijn door de toewijzing van een eerdere voorlopige voorziening is opgeschort en pas op 16 februari 2024 verstrijkt, conform artikel 29 van Pro de Dublinverordening.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder en oordeelt dat de termijn van zes maanden pas is aangevangen na de definitieve beslissing op het beroep op 16 augustus 2023. De verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie leidt niet tot een andere conclusie. Daarom is de uiterste overdrachtstermijn nog niet verstreken en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht wordt afgewezen omdat de uiterste overdrachtstermijn nog niet is verstreken.