ECLI:NL:RVS:2016:2170
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling kan niet worden overgedragen aan Italië wegens niet tijdige overdrachtstermijn
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verklaarde het bezwaar van de vreemdeling tegen haar voorgenomen feitelijke overdracht aan Italië ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de overdrachtstermijn van zes maanden was verstreken en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, waardoor het besluit werd vernietigd.
De staatssecretaris en de vreemdeling gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de overdrachtstermijn pas begint te lopen na de beslissing op het bezwaar, conform artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening en artikel 8:81 van Pro de Awb. Hierdoor was de termijn van zes maanden voor overdracht niet eerder begonnen dan na het besluit van 3 februari 2016.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de overdracht aan Italië binnen de wettelijke termijn mogelijk blijft. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot overdracht aan Italië wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.