ECLI:NL:RBDHA:2023:14285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 september 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
NL23.20953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De staatssecretaris baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en het verzoek tot terugname door Roemenië is aanvaard.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing is vanwege de feitelijke situatie in Roemenië, waaronder geweld en discriminatie in opvanglocaties, en verwees naar een landenrapport van het US Department of State. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systeem gerelateerde tekortkomingen die het vertrouwensbeginsel ondermijnen.

De staatssecretaris heeft volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser en de overgelegde stukken. Ook is niet gebleken dat eiser geen toegang heeft tot klachtenprocedures in Roemenië. De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het beroep ongegrond is.

De staatssecretaris hoeft de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en mag eiser overdragen aan Roemenië. Er worden geen proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag mag worden overgedragen aan Roemenië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 juli 2023 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A.D. Kupelian, als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris ten aanzien van Roemenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en voldoende gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om terugname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek aanvaard.

Mag de staatssecretaris ten aanzien van Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

5. Eiser betoogt dat, gelet op hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht, niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op een landenrapport van USDOS [2] en zijn persoonlijke situatie, namelijk de omstandigheden in de opvang en het tegen hem gebruikte geweld en discriminatie. De staatssecretaris is hier, volgens eiser, onvoldoende op ingegaan in zijn besluit. Verder blijkt, volgens eiser, uit het landenrapport dat de theoretische situatie anders is dan de daadwerkelijke situatie in Roemenië. De staatssecretaris baseert zich op de theoretische situatie, terwijl hij in zijn beoordeling ook de daadwerkelijke feitelijke situatie zou moeten betrekken.
5.1.
Als uitgangspunt geldt dat de staatssecretaris op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Roemenië zijn internationale verplichtingen jegens eiser zal nakomen. In recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), heeft de Afdeling geoordeeld dat er nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Roemenië. [3] Ook deze rechtbank en zittingsplaats heeft hierover recent nog een uitspraak gedaan. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen, waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hierin is eiser niet geslaagd. De verwijzing van eiser naar het rapport van USDOS maakt niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De staatssecretaris heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat het in dit rapport gaat over de verklaringen van een aantal asielzoekers en dat daaruit niet valt af te leiden wat de omvang is van de problemen waarover zij verklaren. Hieruit trekt de staatssecretaris terecht de conclusie dat geen sprake is van structurele problemen die maken dat sprake is van systeem gerelateerde tekortkomingen. Verder wijst de staatssecretaris er terecht op dat uit het rapport blijkt dat de incidenten van onder meer intimidatie, discriminatie en pushbacks hebben plaatsgevonden bij de grens. Eiser zal worden overgedragen op grond van de Dublinprocedure, hierdoor is het niet aannemelijk dat eiser te maken zal krijgen met dergelijke problemen. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt onvoldoende dat Dublinclaimanten het risico lopen op push backs en andere problemen.
5.2.
Het betoog van eiser dat de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank is de staatssecretaris voldoende ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eiser en de stukken die eiser heeft overgelegd bij zijn zienswijze. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van eiser stelt de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat op basis hiervan niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van an het systeem gerelateerde tekortkomingen. Daarbij komt dat eiser bij voorkomende problemen de mogelijkheid heeft om te klagen bij de autoriteiten van Roemenië. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid er voor eiser niet is. Verder stelt, zoals hiervoor geoordeeld, de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat eiser met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Dublinclaimant het risico loopt op de problemen die in de rapporten worden genoemd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen en eiser mag overdragen aan Roemenië. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.USDOS – US Department of State: “2021 Country Report on Human Rights Practices: Romania”, Document #2071213 (ecoi.net).
3.Zie ABRvS, 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645 en ABRvS, 12 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:110.
4.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 17 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12484.