ECLI:NL:RBDHA:2023:14389
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden voor slachtoffer mensenhandel
Eiseres, een vrouw van Ugandese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van mensenhandel. Deze aanvraag werd ambtshalve afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mede op basis van een sepotbesluit van het Openbaar Ministerie waarin werd geconcludeerd dat haar aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk was voor het strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres beoordeeld en geoordeeld dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8 van Pro Richtlijn 2004/81/EG en paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat de verblijfsvergunning alleen verleend mag worden indien de aanwezigheid van de vreemdeling dienstig is voor het strafrechtelijk onderzoek.
Eiseres voerde aan dat zij al vanaf het moment van aangifte medewerking verleende, maar dit werd niet voldoende geacht zonder een lopend opsporings- of vervolgingsonderzoek. Daarnaast stelde zij dat het beleid leidt tot ongelijke behandeling van Dublinclaimanten, wat volgens de rechtbank gerechtvaardigd is vanwege de verschillende situaties en beleidsdoelen.
De rechtbank concludeert dat het bezwaar niet tot een ander besluit had kunnen leiden en dat eiseres terecht niet is gehoord in bezwaar. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden is ongegrond verklaard.