ECLI:NL:RBDHA:2023:14539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 september 2023
Publicatiedatum
27 september 2023
Zaaknummer
NL23.30407
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.101 Vb 2000Art. 14 Vw 2000Art. 8 Vw 2000Art. 8:75a AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter wijst proceskostenveroordeling toe na intrekking verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting

Verzoeker, van Surinaamse nationaliteit en gedetineerd in een detentiecentrum, werd op 19 september 2023 geïnformeerd over een voorgenomen uitzetting naar Paramaribo op 26 september 2023. Op 24 september 2023 maakte verzoeker bezwaar tegen deze uitzetting en vroeg een voorlopige voorziening. Vervolgens annuleerde de staatssecretaris op 25 september 2023 de uitzetting.

Naar aanleiding van de annulering trok verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening in en verzocht de rechtbank om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris met de annulering aan het verzoek van verzoeker tegemoet was gekomen.

De voorzieningenrechter baseerde zich op het feit dat verzoeker op 15 september 2023 een reguliere aanvraag had ingediend waarin werd gemeld dat hij in detentie verbleef. Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verduidelijkte dat artikel 3.101, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 alleen betrekking heeft op de plaats van indiening en dat het ontbreken daarvan niet betekent dat er geen aanvraag is als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

Gelet op deze omstandigheden werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van € 837,00 aan proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is zonder zitting gedaan en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: De staatssecretaris is veroordeeld tot betaling van € 837,00 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30407

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,
van Surinaamse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Inleiding

1. Op 19 september 2023 heeft de staatssecretaris verzoeker ervan in kennis gesteld dat hij op 26 september 2023 om 8:30 uur zal uitreizen naar Paramaribo, Suriname.
1.1.
Verzoeker heeft op 24 september 2023 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting en om een voorlopige voorziening gevraagd.
1.2.
Op 25 september 2023 heeft de staatssecretaris laten weten dat de voorgenomen uitzetting van verzoeker is geannuleerd.
1.3.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.4.
De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling. [1]
3. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
4. De voorzieningenrechter is, anders dan de staatssecretaris, van oordeel dat de staatssecretaris is tegemoet gekomen aan het verzoek van verzoeker. Op 19 september 2023 is verzoeker in kennis gesteld van de voorgenomen uitzetting. Uit de faxbevestiging die zich in het dossier bevindt, volgt echter dat verzoeker op 15 september 2023 een reguliere aanvraag heeft gedaan waarin is gemeld dat verzoeker in het [detentiecentrum] verblijft. Voor de staatssecretaris had daarom duidelijk kunnen zijn dat verzoeker gedetineerd is. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat art. 3.101, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 alleen betrekking heeft op de plaats van indiening. Als daaraan niet is voldaan brengt dat niet met zich dat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook uit artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 volgt volgens de Afdeling niet dat voor het van toepassing zijn van deze bepaling is vereist dat een aanvraag op de wettelijk voorgeschreven plaats is ingediend. [3] Gelet op het voorgaande, is de staatssecretaris met het annuleren van de uitzetting tegemoet gekomen aan het verzoek van verzoeker. Er bestaat daarom aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van verzoekers proceskosten.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Dat betekent dat verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten krijgt. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 837,00 omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 837,00 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Lok, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a van de Awb
3.uitspraak van 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2012:BY5559