ECLI:NL:RVS:2012:BY5559
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verlenging vreemdelingenbewaring wegens overschrijding wettelijke termijn
De vreemdeling had op 13 juni 2012 een verzoek om heroverweging ingediend betreffende een eerdere afwijzing en intrekking van zijn verblijfsvergunning. De staatssecretaris stelde dat dit verzoek niet als een aanvraag in de zin van artikel 23 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 kon worden aangemerkt en dat de termijn van vier weken voor vreemdelingenbewaring niet was overschreden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het verzoek wel degelijk een aanvraag is in de zin van artikel 23, omdat het niet alleen gericht is op herziening van het eerdere besluit, maar ook op het alsnog verkrijgen van de verblijfsvergunning. Hierdoor had de vreemdeling rechtmatig verblijf vanaf 13 juni 2012 en had de bewaring op grond van artikel 59, lid 1, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voortgezet moeten worden, met een maximale duur van vier weken.
Omdat de beslissing pas op 24 augustus 2012 werd genomen, was de bewaring langer dan toegestaan en had de staatssecretaris de bewaringstermijn niet mogen verlengen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens overschrijding van de wettelijke bewaringstermijn.