ECLI:NL:RBDHA:2023:14577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 september 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
NL22.21414 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 lid 4 VwArt. 31 Richtlijn 2005/85/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag ongegrond verklaard

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. De rechtbank heeft dit beroep op 5 juni 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend. Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld, dat op 28 augustus 2023 is behandeld, waarbij opposante en haar gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank beoordeelt in deze verzetzaak uitsluitend of het eerdere oordeel terecht was dat het beroep niet-ontvankelijk was. Opposante voerde aan dat er redelijke twijfel bestond over de uitkomst vanwege uiteenlopende rechtspraak over WBV 2022/22 en het ontbreken van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook stelde zij dat de situatie niet voldeed aan de voorwaarden voor verlenging van de beslistermijn volgens de Vreemdelingenwet 2000 en de Procedurerichtlijn.

De rechtbank oordeelt dat de verschillen in rechtspraak en het ontbreken van een ABRvS-uitspraak niet leiden tot redelijke twijfel over het oordeel. Eerder is door deze zittingsplaats al geoordeeld dat de situatie van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 zich voordeed. Bovendien heeft de staatssecretaris inmiddels een inwilligend besluit genomen op de asielaanvraag. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de buiten-zittinguitspraak blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.21414 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam] , opposante,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
mede namens haar (minderjarige) kinderen:

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer]
allen van Jeminitische nationaliteit,
(gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Opposante heeft op 21 oktober 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag.
Bij uitspraak van 5 juni 2023 heeft de rechtbank dat beroep met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak op 17 juli 2023 verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 28 augustus 2023 op zitting behandeld. Opposante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Mikolajczyk.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur was ingediend.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposante meent dat de uitkomst van het beroep niet zonder twijfel vaststond, gelet op de verschillen in de rechtspraak over de toepassing van WBV 2022/22 en de omstandigheid dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) hierover nog geen uitspraak heeft gedaan. Voorts meent opposante dat er geen sprake is van een groot aantal asielaanvragen tegelijkertijd, waardoor er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens opposante kan de verlenging van de beslistermijn op grond van een WBV tevens niet vallen onder de gronden die worden genoemd in artikel 31 van Pro Richtlijn 2005/85/EG (Procedurerichtlijn).
4. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat zij niet tot een kennelijk oordeel heeft kunnen komen. De omstandigheid dat door de verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank anders wordt geoordeeld over de betekenis van WBV 2022/22 voor de beslistermijn van de staatssecretaris, maakt niet dat in dit geval redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het beroep. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in de uitspraak van haar meervoudige kamer van 26 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6050) dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b van de Vw.
5. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de staatssecretaris een inwilligend besluit heeft genomen op de asielaanvraag van opposante.
6. In wat opposante verder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 juni 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.