Eiser, met de Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn gestelde pleegvader, de referent. De aanvraag werd afgewezen omdat de familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders niet was aangetoond en de feitelijke gezinsband met de referent onvoldoende aannemelijk was.
Eiser voerde aan dat hij de biologische band met documenten had aangetoond en dat verweerder hem niet in de gelegenheid stelde DNA-onderzoek te doen, wat in strijd zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook stelde hij dat de feitelijke gezinsband met de referent wel bestond, onderbouwd met foto’s en verklaringen, en dat voogdij in Syrië anders geregeld is.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de afwijzing voldoende had gemotiveerd en dat DNA-onderzoek niet verplicht was. Het niet noemen van de pleegrelatie tijdens het eerste gehoor deed afbreuk aan de aannemelijkheid van de gezinsband. Bovendien was de voogdij altijd bij de biologische ouders gebleven en was de zorg van de referent vooral financiële ondersteuning. De rechtbank concludeerde dat geen pleegouderrelatie bestond en wees het beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is openbaar gemaakt met informatie over hoger beroep.