ECLI:NL:RVS:2013:105
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-aannemelijkheid feitelijke gezinsband bij mvv-aanvraag vreemdelingen
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 10 november 2010 aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de feitelijke gezinsband tussen de vreemdelingen en de hoofdpersoon, houder van een verblijfsvergunning asiel, niet aannemelijk was gemaakt. De hoofdpersoon had tijdens het eerste gehoor in zijn asielprocedure geen melding gemaakt van de vreemdelingen als (pleeg-)kinderen, wat een belangrijke indicatie was. De rechtbank had onvoldoende onderkend dat dit een redelijke grond voor afwijzing bood.
Verder was de staatssecretaris niet verplicht DNA-onderzoek aan te bieden, omdat dit de feitelijke gezinsband niet zou aantonen. Ook de stelling dat het weigeren van de mvv in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro faalde, aangezien de Vreemdelingenwet 2000 buiten de specifieke bepalingen van artikel 29 geen Pro grond biedt voor een verblijfsvergunning op grond van family life.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waarmee het besluit van de minister stand hield.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waardoor de mvv-aanvragen worden afgewezen.