ECLI:NL:RBDHA:2023:1483
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij wijziging verblijfsvergunning
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om de verblijfsvergunning te wijzigen naar verblijf als familie- of gezinslid bij zijn dochter. Na de afwijzing ontving eiser echter een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner, geldig tot 2027.
De rechtbank beoordeelt of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep nu hij een verblijfsvergunning bezit. Eiser stelt dat een verblijfsvergunning bij zijn dochter een sterkere titel is dan die bij zijn partner, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat belanghebbenden alleen beroep kunnen instellen als zij daardoor in een gunstiger rechtspositie komen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de verblijfsvergunning bij de partner beperkter is dan die bij de dochter.
Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser het familie- en gezinsleven met zijn dochter niet kan uitoefenen met de huidige vergunning. De aangevoerde intensieve band met de dochter is onvoldoende bewezen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en ziet af van proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang nu eiser een verblijfsvergunning bij zijn partner heeft.