ECLI:NL:RVS:2002:AE1168
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning asiel
De zaak betreft een hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen een besluit tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ontvankelijk had verklaard. De vreemdeling had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State overweegt dat de vreemdeling geen belang heeft bij het beroep omdat de wetgever heeft gekozen voor een stelsel waarbij slechts één ongedeelde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, ongeacht de grondslag. Hierdoor kan de vreemdeling zich niet gunstiger positioneren door te procederen over de grondslag van de vergunning zolang deze geldig is.
De Raad benadrukt dat het oordeel over de gronden a tot en met c van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in rechte onaantastbaar wordt door het besluit tot verlening op grond van d. Bij intrekking of niet-verlenging van de vergunning kan dit alsnog aan de orde komen. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep ontvankelijk verklaard, daarom wordt het hoger beroep van de Staatssecretaris gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Raad verklaart het beroep van de vreemdeling bij de rechtbank niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.