ECLI:NL:RBDHA:2023:1504
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser, met Eritrese nationaliteit en asielstatus in Roemenië, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om bij zijn partner en minderjarig kind te kunnen verblijven. Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende rekening hield met de specialistische zorgbehoefte van het kind en dat er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Roemenië voort te zetten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante feiten, waaronder de zorgbehoefte van het kind, voldoende in de belangenafweging had betrokken. Verweerder had ook terecht meegewogen dat eiser en referente het gezinsleven zijn gestart zonder rechtmatig verblijf en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een andere uitkomst rechtvaardigen.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser niet had aangetoond dat de benodigde zorg in Roemenië niet beschikbaar is, en dat het feit dat de zorgkwaliteit mogelijk minder is, onvoldoende is voor een objectieve belemmering. De belangenafweging is daarom niet onredelijk in het nadeel van eiser uitgevallen.
Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Nooijen en griffier M.J.J. Roks.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.