ECLI:NL:RBDHA:2023:15096
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinterugname naar Zweden
Eiser, met Iraanse nationaliteit, diende op 29 april 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser daar eerder een asielverzoek had ingediend. Nederland deed een verzoek tot terugname aan Zweden, dat dit accepteerde.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Zweden niet geldt vanwege eerdere afwijzingen en het risico op indirecte uitzetting naar Iran, wat een schending van artikel 3 EVRM Pro zou betekenen. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Zweden structurele tekortkomingen vertoont in de asielprocedure of opvang, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel daarom blijft gelden.
Verder stelde eiser dat het een overnamesituatie betrof, waardoor Nederland de aanvraag zou moeten behandelen vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een relatie en pleegkind in Nederland. De rechtbank stelde dat het hier een terugnamesituatie betreft, waarop de relevante bepalingen van de Dublinverordening van toepassing zijn en dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een afwijking rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat verweerder terecht de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen. Er is geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Zweden wordt ongegrond verklaard.