ECLI:NL:RBDHA:2023:15168
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen te vroege ingebrekestelling bij verlengde beslistermijn asielaanvraag
Eiser heeft op 3 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist. Eiser stelde verweerder op 12 december 2022 schriftelijk in gebreke om alsnog binnen twee weken te beslissen, waarna hij beroep instelde toen dit niet gebeurde.
De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet noodzakelijk was en het onderzoek zonder zitting gesloten. De kern van het geschil betreft de geldigheid van de ingebrekestelling. Eiser betwist dat de verlenging van de beslistermijn door de Wet Bestuursvernieuwing Vreemdelingenrecht (WBV 2022/22) geldig was en stelt dat hij verweerder niet prematuur in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 24 maart 2023 waarin is vastgesteld dat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet rechtsgeldig is toegepast. Hierdoor moest verweerder uiterlijk op 3 oktober 2023 beslissen. De ingebrekestelling van 12 december 2022 was dus te vroeg. Daarom voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van het beroep op grond van niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend.