ECLI:NL:RBDHA:2023:15168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.609
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 VwArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen te vroege ingebrekestelling bij verlengde beslistermijn asielaanvraag

Eiser heeft op 3 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist. Eiser stelde verweerder op 12 december 2022 schriftelijk in gebreke om alsnog binnen twee weken te beslissen, waarna hij beroep instelde toen dit niet gebeurde.

De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet noodzakelijk was en het onderzoek zonder zitting gesloten. De kern van het geschil betreft de geldigheid van de ingebrekestelling. Eiser betwist dat de verlenging van de beslistermijn door de Wet Bestuursvernieuwing Vreemdelingenrecht (WBV 2022/22) geldig was en stelt dat hij verweerder niet prematuur in gebreke heeft gesteld.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 24 maart 2023 waarin is vastgesteld dat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet rechtsgeldig is toegepast. Hierdoor moest verweerder uiterlijk op 3 oktober 2023 beslissen. De ingebrekestelling van 12 december 2022 was dus te vroeg. Daarom voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van het beroep op grond van niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.609
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M. van Eik), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 3 juli 2022 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
3. Eiser betwist dat zich een situatie voordoet als bedoelt in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser vindt daarom dat verweerder met de WBV 2022/223 de beslistermijn niet geldig heeft verlengd en dat hij verweerder niet prematuur in gebreke heeft gesteld. Eiser verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen en hier een rechterlijke dwangsom aan te verbinden.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank verwijst voor de motivering naar de
1. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Dit volgt uit artikel 6:2 en Pro 6:12 van de Awb.
3 Staatscourant van 26 september 2022, nr. 25755.
uitspraak van deze rechtbank van 24 maart 2023.4 Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2022/22 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser heeft op 3 juli 2022 zijn asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van eiser valt dus onder het toepassingsbereik van de WBV 2022/22. Dit betekent dat de beslistermijn in zijn zaak met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 3 oktober 2023 op de aanvraag moet beslissen. De ingebrekestelling van 12 december 2022 is hierdoor te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van O.G. Hulsman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 mei 2023

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.