ECLI:NL:RBDHA:2023:15187

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
NL21.20252
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling wegens niet tijdig beslissen door Staatssecretaris

Verzoeker is op 28 december 2021 in beroep gegaan tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Nadat verzoeker het beroep had ingesteld, heeft de Staatssecretaris alsnog op 2 februari 2022 een beslissing genomen. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de proceskosten te veroordelen.

De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat dat niet noodzakelijk was volgens artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) proceskosten kunnen worden toegewezen wanneer een bestuursorgaan niet tijdig beslist.

De Staatssecretaris heeft aangegeven bereid te zijn proceskosten te vergoeden tot €379,50, gebaseerd op het Bpb van 2022. De rechtbank stelt het bedrag echter vast op €418,50 conform het gewijzigde Bpb, waarbij rekening is gehouden met een wegingsfactor 'licht' vanwege de beperkte aard van de zaak. De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van dit bedrag aan verzoeker.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20252
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.S.M. van Beek), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verzoeker is op 28 december 2021 in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. Op 2 februari 2022 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op zijn aanvraag. Verzoeker heeft daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van eiser en is bereid de proceskosten
van verzoeker te vergoeden tot een bedrag van € 379,50.
5. Omdat verweerder pas nadat verzoeker in beroep is gegaan een beslissing heeft genomen, krijgt verzoeker een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte
proceskosten. Het door verweerder aangeboden bedrag is gebaseerd op het Bpb zoals dat gold in 2022, maar het Bpb is inmiddels gewijzigd. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het huidige Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die kunnen worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €
418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van O.G. Hulsman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 juni 2023

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.