ECLI:NL:RBDHA:2023:15192
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor pleegkind wegens ontbreken aanvaardbare toekomst en hechte banden
Eiser, een minderjarige Syrische broer van de referent, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als pleegkind bij zijn broer en diens gezin in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat eiser in Syrië geen aanvaardbare toekomst had en omdat er geen sprake was van beschermenswaardig familie- of gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank toetste het besluit terughoudend en concludeerde dat verweerder terecht oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij niet of bezwaarlijk door zijn vader, zus of andere bloed- of aanverwanten in Syrië kon worden verzorgd. Ook de stelling dat de stiefmoeder en zus niet voor hem zouden zorgen, was onvoldoende onderbouwd.
Verder was er onvoldoende bewijs van hechte en persoonlijke banden tussen eiser en referent en diens gezin. De rechtbank volgde het oordeel dat het enkel juridisch overdragen van voogdij niet gelijk staat aan feitelijke verzorging. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro viel in het nadeel van eiser uit, mede vanwege het ontbreken van sterke binding met Nederland en het economische belang van Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard.