ECLI:NL:RBDHA:2023:15198
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijderingsmaatregel en rechtmatig verblijf Unieburger in Nederland
Eiser, een Poolse Unieburger, verbleef sinds 2020 in Nederland en werd geconfronteerd met een besluit van de staatssecretaris dat hij geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening samen.
De kern van het geschil betrof de belangenafweging bij de verwijderingsmaatregel. Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn arbeidsverleden, het niet doen van een beroep op de openbare kas en zijn strafrechtelijke antecedenten. Ook stelde hij dat de verwijderingsmaatregel in strijd was met het lex certa-beginsel en dat een belangenafweging ten aanzien van de vertrektermijn ontbrak.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 Vb en dat de staatssecretaris de belangenafweging terecht in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. De omstandigheden die in het voordeel van eiser spreken, wegen niet op tegen de nadelige omstandigheden zoals het ontbreken van werk, vaste verblijfplaats en sociale bindingen in Nederland. De verwijderingsmaatregel is niet in strijd met het lex certa-beginsel en een aparte belangenafweging over de vertrektermijn is niet vereist.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M.J.L. van der Waals.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland wordt bevestigd.