ECLI:NL:RBDHA:2023:15220
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugbetalingsverplichting WAO-toeslag na beëindiging toeslagverlening
Eiser ontving een WAO-uitkering met toeslag die per besluit van 12 maart 2013 werd beëindigd omdat hij geen kind meer verzorgde jonger dan 12 jaar. Het UWV stelde vast dat eiser het teveel ontvangen toeslagbedrag over de periode 2012-2013 moet terugbetalen. Diverse besluiten informeerden eiser over zijn betalingsverplichting, maar terugbetaling werd uitgesteld wegens onvoldoende draagkracht.
In augustus 2022 stelde het UWV op basis van gegevens uit de polisadministratie vast dat de partner van eiser inkomsten had, waardoor de aflossingscapaciteit werd vastgesteld en een termijnbedrag van €138,00 per maand werd opgelegd. Eiser betwistte dit en verwees naar zijn belastingaangifte waaruit zou blijken dat zijn partner geen inkomen had, en stelde dat het UWV geen rekening had gehouden met zijn financiële draagkracht.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht uitgaat van de polisadministratie, aangezien eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn. Ook is vastgesteld dat het UWV rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. De rechtbank kan niet oordelen over het rechtmatigheid van de oorspronkelijke terugvordering, maar alleen over het bestreden besluit betreffende de termijnbetaling.
Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het door hem betaalde griffierecht wordt niet vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter A.M.L.E. Ides Peeters op 10 oktober 2023.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het maandelijkse terug te betalen bedrag van €138,00 blijft gehandhaafd.