Appellante was werkzaam bij Essent en ontving een WW-uitkering na beëindiging van haar dienstverband. Essent, aangemerkt als overheidswerkgever, schakelde FourstaR in voor re-integratie, waarbij appellante een contract moest ondertekenen dat zij deels weigerde vanwege betrokkenheid van Essent.
Het UWV legde een verlaging van 25% op de uitkering wegens vermeend verwijtbaar gedrag, omdat appellante het contract niet volledig wilde ondertekenen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad bevestigde dat Essent terecht als overheidswerkgever is aangemerkt en benadrukte het onderscheid tussen de re-integratietaak van Essent en de controletaak van het UWV. Appellante heeft niet onvoorwaardelijk geweigerd te tekenen, maar wenste aanpassingen aan het contract. De opgelegde maatregel door het UWV was onterecht, waardoor het bestreden besluit en de maatregel werden vernietigd.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Essent werd niet in de proceskosten veroordeeld. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 april 2021.