ECLI:NL:RBDHA:2023:15369
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen besluit over toerekenbare termijnoverschrijding bij verlenging verblijfsvergunning
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of een overschrijding van de termijn voor het indienen van een verlengingsaanvraag van een verblijfsvergunning toerekenbaar is aan de eisers. Het bestreden besluit van 7 april 2023 verklaarde het bezwaar van eisers tegen het ontstaan van een onderbreking in hun verblijfsrecht kennelijk ongegrond. Eisers stelden beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding van 37 dagen, waarvan 9 dagen te laat ingediend, toerekenbaar is aan eisers. Dit volgt uit de Vreemdelingenwet en de Vreemdelingencirculaire, waarin een termijnoverschrijding van meer dan vier weken niet wordt geaccepteerd als niet-toerekenbaar. Ondanks een herinneringsbrief en een telefoongesprek waarin werd bevestigd dat schriftelijke indiening mogelijk was, heeft eisers nagelaten tijdig hulp in te roepen.
De rechtbank beoordeelde ook of het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Gezien de mogelijkheid om na afloop van de termijn alsnog naturalisatie aan te vragen, is het toerekenen van de termijnoverschrijding niet onredelijk. De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd gevolgd. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toerekening van de te late aanvraag verlenging verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.