ECLI:NL:RVS:2023:2519
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A. Kuijer
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum verlenging verblijfsvergunning ondanks verblijfsgat
De vreemdeling uit Irak had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij haar partner, die op 5 november 2020 verliep. Zij verzocht op 13 januari 2021 om verlenging van deze vergunning. De staatssecretaris verlengde de vergunning met ingang van die datum, waardoor een verblijfsgat ontstond tussen het verlopen van de vergunning en de verlenging.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de ingangsdatum terecht op 13 januari 2021 had gesteld, omdat de aanvraag op die datum werd ingediend en de vreemdeling toen voldeed aan de voorwaarden. De vreemdeling stelde dat zij op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn een doorlopend verblijfsrecht had en dat het verblijfsgat onevenredig was en in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
De Raad van State overwoog dat uit de relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie volgt dat verlenging van een verblijfsvergunning niet eerder kan ingaan dan de datum van ontvangst van de aanvraag. De Gezinsherenigingsrichtlijn staat dit niet in de weg en voorziet niet in een doorlopend verblijfsrecht na afloop van de nationale vergunning. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde, omdat er geen concrete onevenredige gevolgen waren aangetoond.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de verlenging van de verblijfsvergunning terecht is vastgesteld met ingang van 13 januari 2021, ondanks het verblijfsgat.