Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoekster
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster had een aanvraag voor verblijf bij haar partner en dochter op grond van artikel 8 EVRM Pro ingediend, welke door verweerder op 14 april 2022 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde verweerder dit besluit op 16 september 2022 ongegrond, maar verzoekster ging in beroep tegen deze afwijzing. Tijdens de procedure trok verweerder het eerdere besluit in en verleende alsnog een verblijfsvergunning met ingang van 23 december 2022, tevens werd het opgelegde inreisverbod opgeheven.
Verzoekster vroeg vergoeding van de proceskosten die zij in de bestuurlijke fase had gemaakt, maar verweerder wees dit af omdat de intrekking het gevolg was van een beleidswijziging en niet van een aan hem toe te rekenen onrechtmatigheid. De rechtbank oordeelde dat de gegrondverklaring van het bezwaar berust op feiten en omstandigheden ná het instellen van het beroep en dat er geen sprake is van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb.
Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond afgewezen. De uitspraak benadrukt dat vergoeding van proceskosten alleen mogelijk is wanneer het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep tegemoetkomt wegens een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de intrekking van het besluit het gevolg is van een beleidswijziging en niet van een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid.