ECLI:NL:RBDHA:2023:15384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.20396
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 18 Verordening (EU) Nr. 604/2013
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, vroeg op 10 maart 2023 asiel aan in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam zijn asielaanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 lid 1 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens artikel 18 lid 1 sub b van Pro de Dublinverordening, aangezien eiser eerder in Kroatië asiel had aangevraagd.

Eiser betoogde dat Kroatië asielzoekers niet adequaat behandelt en verwees naar pushbacks en een Kamerbrief waarin dit werd bevestigd. De staatssecretaris deed navraag bij Kroatische autoriteiten, maar ontving onvoldoende informatie om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te verwerpen.

De rechtbank verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 september 2023, waarin werd geoordeeld dat overdragen aan Kroatië weer mogelijk is omdat Kroatië bevestigde asielzoekers adequaat te behandelen. Eiser had niet onderbouwd dat dit in zijn situatie anders zou zijn.

De rechtbank zag daarom geen reden om af te wijken van dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20396

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. A. Hafdy-Kovács).

Procesverloop

Bij het besluit van 6 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Op 10 maart 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Volgens verweerder is Kroatië daarvoor namelijk verantwoordelijk zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [2] aangezien eiser eerder in Kroatië asiel heeft aangevraagd.
3. Eiser voert hiertegen aan dat er niet vanuit kan worden gegaan dat Kroatië asielzoekers adequaat behandelt, zodat er niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens hem stuurt Kroatië asielzoekers namelijk door middel van zogenaamde pushbacks terug naar gebieden waar het voor hen gevaarlijk is. Eiser wijst hierbij op de Beslisnota bij de Kamerbrief inzake Dublinoverdrachten aan Kroatië van 21 december 2022 waarin dit met zoveel woorden wordt bevestigd. Verweerder heeft navraag gedaan bij de autoriteiten van Kroatië. De informatie die verweerder vervolgens heeft ontvangen is echter nog steeds onvoldoende om van het interstatelijk vertrouwensbeginsel te kunnen uitgaan.
4. De Afdeling [3] heeft op 13 september 2023 geoordeeld dat het overdragen van vreemdelingen aan Kroatië weer mogelijk is. [4] De Kroatische autoriteiten hebben namelijk bevestigd dat asielzoekers die worden overgedragen op grond van de Dublinverordening adequaat worden behandeld. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit in zijn geval anders is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van het oordeel van de Afdeling.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.