ECLI:NL:RBDHA:2023:15410

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
SGR 22/4408
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53 AnwSB 1114
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op dringende reden voor vermindering terugvordering wezenuitkering

Eiseres had recht op een wezenuitkering die in 2015 met terugwerkende kracht werd beëindigd omdat zij niet meer aan de voorwaarden voldeed. Verweerder stelde vast dat zij een bedrag van €4.502,02 te veel had ontvangen en dit moest terugbetalen. Omdat eiseres niet in één keer kon betalen, werd jaarlijks beoordeeld of zij maandelijks kon aflossen. Vanaf 2015 tot 2021 was er geen ruimte voor aflossing, maar in 2022 werd bepaald dat zij maandelijks €31,50 moest terugbetalen.

Eiseres voerde aan dat er sprake was van een dringende reden om van terugvordering af te zien vanwege haar psychische problemen en de zorglast die haar grootmoeder draagt, die ook gezondheidsproblemen heeft. Verweerder stelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd en dat de terugvordering terecht was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende informatie was over de inkomenspositie en mentale gezondheid van eiseres om tot een lagere invordering over te gaan. De verantwoordelijkheid lag bij eiseres en haar grootmoeder om de benodigde gegevens te verstrekken. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van de wezenuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4408

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.M.G. Hulsman),
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. N. Diamant).

Inleiding

Eiseres heeft in het verleden recht gehad op een wezenuitkering. Deze uitkering is in september 2015 met terugwerkende kracht tot 1 april 2015 beëindigd omdat eiseres niet meer voldeed aan de voorwaarden voor een wezenuitkering. Verweerder heeft destijds bepaald dat eiseres een bedrag van € 4.502,02 teveel heeft ontvangen en zij dit bedrag moet terugbetalen. Omdat eiseres het bedrag niet in één keer kon terugbetalen heeft verweerder vanaf 2015 ieder jaar vastgesteld of, en zo ja hoeveel, eiseres per maand zou kunnen aflossen. Gedurende de jaren 2015 tot en met 2021 heeft verweerder bepaald dat er geen financiële ruimte was om de schuld af te lossen.
In het besluit van 19 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres met ingang van januari 2022 iedere maand een bedrag van € 31,50 moet terugbetalen aan verweerder.
In het besluit van 15 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben [naam], grootmoeder van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres voert aan dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien en verzoekt om de menselijke maat toe te passen. Er is sprake van een uitzonderlijke situatie waarbij [naam], de gevolgen draagt van het overlijden van de moeder van eiseres. [naam] heeft eiseres, haar kleindochter, opgevoed.
Eiseres kan vanwege psychische problemen haar eigen kind niet opvoeden. [naam] draagt tot op de dag van vandaag de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van haar achterkleinkind, terwijl haar eigen gezondheid ernstig is aangetast en zij al op gevorderde leeftijd is. Vanwege de gezondheidsproblemen van eiseres, draagt [naam] ook de financiële gevolgen voor de terugvordering van de wezenuitkering. De mentale staat van zowel eiseres als [naam] is te kwetsbaar om hen in deze fase van het leven nog met een dergelijke voor hen langdurige aflossing te belasten, ook omdat deze aflossing hen verbonden houdt met een intens verdrietige gebeurtenis.
2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de door eiseres aangevoerde punten niet voldoende zijn om van verdere invordering af te zien wegens dringende redenen. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat eiseres al vanaf 2015 bekend is met de terugvordering en dat niet eerder is gesteld dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan van de terugvordering zou moeten worden afgezien. Het is verweerder daarom niet duidelijk waarom nu 7 jaar later wel sprake is van een situatie waarin gesproken kan worden van een dringende reden. Daarnaast is door eiseres niet door middel van bewijsstukken aangetoond dat eiseres door deze vordering in een dermate ernstige financiële en/of sociale situatie bevindt of terecht zou komen waardoor verweerder van terugvordering af zou moeten of kunnen zien.
6. De rechtbank overweegt als volgt
Juridisch kader
In artikel 53, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet (Anw) staat dat de uitkering die onverschuldigd is betaald door verweerder van de verzekerde wordt teruggevorderd.
In artikel 53, vijfde lid, van de Anw staat dat verweerder kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
In beleidsregel SB 1114 staat een situatie die een dringende reden vormt om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering, slechts in een zeer incidenteel geval zal voordoen. Te denken valt aan een situatie waarin de sociale of financiële omstandigheden van de belanghebbende zich verzetten tegen volledige terugvordering. In het algemeen hanteert verweerder dan echter de door de jurisprudentie ondersteunende lijn dat zij met dergelijke omstandigheden pas rekening houdt bij het besluit over de wijze van terugbetaling.
Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en/of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. [1]
6.1
De rechtbank constateert dat het bestreden besluit ook ziet op het bezwaar gericht tegen het besluit van 28 september 2015. Op de zitting is duidelijk geworden dat het beroep zich niet richt tot dat onderdeel van het bestreden besluit, maar zich uitsluitend richt tot het deel van het bestreden besluit dat gaat over de invordering.
6.2
Op de zitting is het beroep op de dringende reden benadrukt. Het gaat erom dat eiseres en [naam] met het terugbetalen worden herinnerd aan de tragische gebeurtenis waarom eiseres recht had op een wezenuitkering.
6.3
De rechtbank overweegt dat er te weinig informatie is over de inkomenspositie en de gestelde mentale gezondheid van eiseres om over te gaan tot een lagere invordering dan de vastgestelde 5% van het totale inkomen van eiseres. De rechtbank begrijpt dat, zoals op zitting naar voren is gekomen, [naam] zich verantwoordelijk voelt voor de invordering, maar het is dan toch aan [naam] om van eiseres de benodigde informatie te verkrijgen over de inkomenspositie, dan wel de mentale gezondheid van eiseres zodat verweerder daar eventueel rekening mee kan houden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres en [naam] bij de huidige stand van zaken onvoldoende hebben onderbouwd dat sprake is van een dringende reden.

Conclusie

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht het beroep op de dringende reden heeft afgewezen.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1609, r.o. 4.6.