Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2023 in de zaken tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
24 februari 2022 aan eiser een dwangsom van € 46 toegekend (zaaknummer SGR 22/2400).
Overwegingen
Geschil14. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het bedrag aan specifieke zorgkosten naar de juiste hoogte is vastgesteld.
16 september 2021 heeft verweerder reeds gereageerd op het inzageverzoek persoonsgegevens in de FSV van eiser. Verweerder heeft ter zitting (nogmaals) verklaard dat eiser niet in FSV is opgenomen omdat hij als fraudeur werd gezien, maar omdat de hoge bedragen die eiser als specifieke zorgkosten in aftrek nam noopten tot verscherpt toezicht ter voorkoming van fraude. Ook heeft verweerder ter zitting verklaard dat de uitworpreden van de aangifte is het gedurende een aantal jaren achter elkaar opvoeren van hoge posten aan specifieke zorgkosten is. Daarbij heeft verweerder er onweersproken op gewezen dat FSV 27 februari 2020 buiten werking is gesteld en de aangifte IB/PVV 2020 op 30 maart 2020 is gedaan. Bij de onderhavige aangifte en aanslag heeft FSV dan ook geen rol meer gespeeld. Voor de rechtbank bestaat geen aanleiding te oordelen dat tijdens het onderzoek van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 door verweerder niet is gehandeld overeenkomstig hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht.
21 juni 2021. Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2023, zodat tussen het indienen van het bezwaarschrift en deze uitspraak een periode is verstreken van één jaar, zeven maanden, één week en vijf dagen. Hiermee is dus geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een vergoeding van de immateriële schade daarom af.
Beslissing
mr. A.C. van Essen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
2 februari 2023.