Eiser is op 25 augustus 2023 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is opgelegd vanwege risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van de uitzettingsprocedure, gebaseerd op meerdere zware en lichte gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet naleven van een terugkeerbesluit, het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De gemachtigde van eiser voerde aan dat eiser door zijn psychische toestand mogelijk niet begreep wat bewaring inhoudt en dat dit zijn verdedigingsbelang schaadde. De rechtbank oordeelde echter dat deze stelling onvoldoende concreet en onderbouwd was. De medische en psychische omstandigheden van eiser zijn door verweerder betrokken bij de oplegging van de maatregel, waarbij eiser passende medische zorg ontvangt, onder meer in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht.
De rechtbank verwierp de grondslag dat eiser zich zonder noodzaak van zijn reisdocumenten heeft ontdaan, maar achtte de overige gronden voldoende om de bewaring te dragen. Verweerder heeft voortvarend gehandeld door tijdig uitzettingshandelingen te verrichten en het zicht op uitzetting is aanwezig, mede doordat de Britse autoriteiten medewerking verlenen zodra eiser meewerkt.
Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.