ECLI:NL:RBDHA:2023:15694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 oktober 2023
Publicatiedatum
18 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.6823
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:15 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot terughalen uit Pakistan wegens gebrek aan juridische basis

Verzoeker, gediagnosticeerd met schizofrenie, had een aanvraag voor uitstel van vertrek naar Pakistan ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 6 maart 2023 werd afgewezen. Na bezwaar werd dit besluit op 19 juni 2023 gehandhaafd. Verzoeker vertrok op 13 juli 2023 zelfstandig naar Pakistan, waarna hij op 17 juli 2023 beroep instelde tegen het bestreden besluit.

Verzoeker vroeg vervolgens via een voorlopige voorziening aan de voorzieningenrechter om hem terug te halen uit Pakistan, stellende dat het niet goed met hem ging en dat zijn gemachtigde niet op de hoogte was gesteld van zijn vertrek. De voorzieningenrechter oordeelde dat een verzoek om voorlopige voorziening formele en materiële connexiteit met het bestreden besluit moet hebben.

De rechter constateerde dat de rechtbank inmiddels uitspraak had gedaan op het beroep, waardoor formele connexiteit ontbrak. Daarnaast was de gevraagde voorziening om verzoeker terug te halen wezenlijk anders dan het bestreden besluit over uitstel van vertrek, waardoor materiële connexiteit ontbrak. Ook was er geen aanleiding om het verzoek als een verzoek tot herroeping van het besluit aan te merken, omdat verzoeker zelfstandig was vertrokken.

Gelet op deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en wees proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om verzoeker terug te halen uit Pakistan is afgewezen wegens gebrek aan juridische basis.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6823

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.S. Visser),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van toepassing van uitstel van vertrek.
Bij besluit van 6 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de ambtshalve aanvraag namens verzoeker om uitstel van vertrek, als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 19 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Op 13 juli 2023 is verzoeker zelfstandig vertrokken naar het land van herkomst, in samenwerking met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de
Joint Reintegration Services(JRS), een onderdeel van Frontex.
Namens verzoeker is op 17 juli 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL23.20686. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening aangemerkt als hangende het beroep.
Bij brief van 4 augustus 2023 heeft verzoeker de gevraagde voorziening (het petitum) gewijzigd, en verzocht om te bepalen dat verweerder hem terughaalt uit Pakistan.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 15 september 2023 op zitting behandeld. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook zijn de zus van verzoeker en een tolk verschenen. Het onderzoek is ter zitting geschorst om verzoeker in de gelegenheid te stellen nader schriftelijk te reageren.
Bij brief van 26 september 2023 heeft verzoeker schriftelijk gereageerd met een door hem ondertekende verklaring.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het verzoek samen met het beroep op 6 oktober 2023 op zitting behandeld. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook zijn de zus van verzoeker en een tolk verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker is – onder meer – gediagnosticeerd met schizofrenie. Zijn gemachtigde heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet door verweerder op de hoogte is gesteld van het voorgenomen vrijwillige vertrek van verzoeker naar Pakistan. Als dat wel was gebeurd had hij kunnen proberen verzoeker tegen te houden. Het gaat in Pakistan niet goed met hem. Het verzoek strekt ertoe verweerder op te dragen verzoeker terug te halen uit Pakistan.
3. Hoewel de voorzieningenrechter de zorgen van de gemachtigde en van de zus van verzoeker over verzoeker begrijpt, ziet hij geen juridische basis voor toewijzing van de gevraagde voorziening om verzoeker terug te halen. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor het verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit bezwaar, of (administratief) beroep is ingesteld (formele connexiteit), maar wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit). [1]
4. De voorzieningenrechter constateert enerzijds dat de rechtbank, bij uitspraak van vandaag, uitspraak heeft gedaan op het samenhangende beroep van verzoeker, zodat van formele connexiteit geen sprake meer is. De voorzieningenrechter is anderzijds van oordeel dat de gevraagde voorziening verstrekkender is dan het bestreden besluit en het beroep. Daartoe overweegt hij dat het besluit ziet op het al dan niet verlenen van uitstel van vertrek en het beroep op beoordeling van de rechtmatigheid van de afwijzing hiervan. De gevraagde voorziening, om verweerder te verplichten verzoeker terug te halen uit Pakistan, heeft geen betrekking op deze inhoud. Het terughalen van verzoeker is wezenlijk anders dan het eerder gevraagde uitstel van vertrek, en de gevraagde voorziening strekt dus ook verder dan wat verzoeker in de bodemprocedure zou kunnen bereiken. Ook de materiële connexiteit ontbreekt daarom.
5. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter op dat hij geen aanleiding ziet om het verzoek, op grond van artikel 6:15 van Pro de Awb, door te sturen aan verweerder als een verzoek om terug te komen op een besluit. [2] Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat geen sprake is van de situatie waarin verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn, uit een besluit volgende, bevoegdheid om verzoeker uit te zetten. Verzoeker is zelfstandig vertrokken, nadat hij in verschillende vertrekgesprekken deze wens heeft geuit. De omstandigheid dat verweerder verzoekers gemachtigde niet heeft ingelicht, leidt niet tot een ander oordeel dan het voorgaande. Verweerder heeft terecht gesteld dat geen rechtsregel hem daartoe verplicht, omdat het om zelfstandig vertrek ging. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt dit, ook in verzoekers geval, in de risicosfeer van verzoeker en zijn gemachtigde.
6. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
7. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3105.
2.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9022 en van 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1995.