ECLI:NL:RBDHA:2023:15913
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvullende beurs op basis van buitenlands bruto-inkomen ouders
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin het recht op een aanvullende beurs werd vastgesteld op € 0 per maand voor de periode september 2021 tot en met december 2023. Verweerder had het bruto-inkomen van de in Argentinië wonende ouders van eiser omgerekend naar euro’s en dit gebruikt als basis voor de berekening van de ouderlijke bijdrage.
Eiser betwistte dat de gehanteerde wisselkoers voldoende rekening hield met de valutabelasting van 35% in Argentinië. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte methode, waarbij de wisselkoers van de Deutsche Bundesbank werd toegepast en het bruto-inkomen als uitgangspunt werd genomen, geschikt is om het inkomen zo objectief mogelijk te benaderen. De rechtbank wees het beroep af omdat geen sprake was van een bijzondere omstandigheid die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
De rechtbank benadrukte dat het toetsingsinkomen niet kon worden vastgesteld omdat de inspecteur het niet in Nederland belastbare inkomen van de ouders niet had vastgesteld. De rechtbank gaf aan dat eiser of zijn ouders zich tot de belastingdienst kunnen wenden om dit inkomen alsnog te laten vaststellen, waarna de aanspraak op aanvullende beurs opnieuw kan worden beoordeeld.
Tot slot oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van onzorgvuldige besluitvorming of schending van het motiveringsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht niet terug.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van de aanvullende beurs wordt ongegrond verklaard.