ECLI:NL:RBDHA:2023:15943
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eiseressen, beiden van Somalische nationaliteit, vorderen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij hun vermeende vader, de referent, te verblijven. De staatssecretaris heeft hun aanvraag afgewezen omdat niet is vastgesteld dat zij de biologische of pleegkinderen van de referent zijn en er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zoals vereist onder het jongvolwassenenbeleid en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank bevestigt eerdere uitspraken dat geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro is aangetoond. Hoewel referent sinds 2006 contact onderhoudt en financiële steun verleent, is dit onvoldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid aan te nemen. De rechtbank weegt mee dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste en dat de omstandigheden in het vluchtelingenkamp onvoldoende zijn onderbouwd.
De belangenafweging van de staatssecretaris, waarbij het algemene belang van het restrictieve toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van eiseressen en referent, wordt als zorgvuldig en gemotiveerd beoordeeld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.