ECLI:NL:RVS:2022:2485
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vaststelling belangenafweging bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf aan Syrische familieleden
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de afwijzing van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) aan vijf Syrische vreemdelingen vernietigde. De vreemdelingen beogen verblijf bij hun zoon en broer, die sinds 2019 een verblijfsvergunning asiel heeft. De staatssecretaris had de mvv-aanvragen afgewezen vanwege een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, waarbij het economisch belang van Nederland zwaarder werd gewogen.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het economisch belang zwaarder woog en dat de jonge leeftijd van de referent onvoldoende was betrokken. De Raad van State stelt echter vast dat de staatssecretaris alle relevante belangen heeft meegewogen, waaronder de langdurige samenwoning, het ontbreken van antecedenten, de uitkering van de referent en diens zelfstandigheid. Ook is de jonge leeftijd van de referent adequaat betrokken in de afweging.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond. Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard omdat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die toewijzing rechtvaardigen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdelingen ongegrond.