ECLI:NL:RBDHA:2023:16245
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Duitsland
Verzoeker, een Jemenitische asielzoeker, diende op 15 mei 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Op basis van Eurodac-gegevens bleek dat hij op 8 april 2023 al in Duitsland internationale bescherming had gevraagd. Nederland heeft daarom op 5 juli 2023 een terugnameverzoek aan Duitsland gedaan, dat op 7 juli 2023 werd geaccepteerd. Verweerder besloot de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en de overdracht aan Duitsland voor te bereiden.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de overdracht aan Duitsland uit te stellen totdat de beroepsprocedure in Nederland is afgerond. De voorzieningenrechter oordeelde dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek en dat geen aanwijzingen zijn dat de overdracht zal leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Hoewel verzoeker stelde slecht te zijn behandeld in Duitsland, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk was om daarover te klagen. Ook zijn bezwaren over toegang tot gezondheidszorg zijn onvoldoende onderbouwd. Het belang van verweerder om de overdracht uit te voeren weegt zwaarder dan het belang van verzoeker om de uitkomst van het beroep af te wachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen.