ECLI:NL:RBDHA:2023:16530

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2023
Publicatiedatum
2 november 2023
Zaaknummer
C/09/654309 / JE RK 23-1932
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind wegens ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een vijfjarig kind voor negen maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. Dit vanwege ernstig bedreigde ontwikkeling door sterk zelfbepalend gedrag van het kind dat onvoldoende door de ouders wordt begrensd, wat leidt tot onveilige situaties. De moeder kampt met stress en somberheid door recente ingrijpende levensgebeurtenissen en ontvangt hulpverlening.

Het kind verblijft sinds juni 2023 bij de opa en oma van vaderszijde, waar het kind meer structuur en duidelijkheid krijgt. De ouders zijn in scheiding, wat de situatie complexer maakt. De moeder wil het kind snel terug, maar de kinderrechter acht een gefaseerde terugplaatsing noodzakelijk om blijvende stabiliteit te waarborgen.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en dat de ouders onvoldoende in staat zijn de bedreiging zelfstandig af te wenden. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de termijn voor ondertoezichtstelling loopt tot 16 juli 2024, de uithuisplaatsing tot 16 april 2024.

Uitkomst: De kinderrechter stelt het kind onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor respectievelijk negen en zes maanden wegens ernstige bedreiging van de ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/654309 / JE RK 23-1932
Datum uitspraak: 16 oktober 2023
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming,
regio Haaglanden, locatie: Den Haag
hierna te noemen: de Raad,
over:
[naam01], geboren op [geboortedatum01] 2017 in [plaats01] ,
hierna te noemen: [naam01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam02],
hierna te noemen: de moeder,
wonende [woonplaats01] ,
[naam03],
hierna te noemen: de vader,
wonende [woonplaats01] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 26 september 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2023. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam04] namens de Raad;
- [naam05] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
De vader en moeder hebben een geregistreerd partnerschap.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [naam01] .
2.3.
[naam01] verblijft bij de opa en oma vaderszijde.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek van de Raad strekt tot een ondertoezichtstelling van [naam01] voor de duur van negen maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [naam01] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd omdat hij sterk zelfbepalend gedrag laat zien bij de ouders thuis. De ouders lijken dit gedrag onvoldoende te kunnen begrenzen waardoor [naam01] in onveilige situaties komt. [naam01] heeft woedeaanvallen die zich fysiek uiten, door te slaan, schoppen en spugen richting de moeder. Het lukt ouders op dit moment niet om consequent te zijn en [naam01] de structuur te bieden die een kind van vijf jaar nodig heeft. Eerdere hulpverlening in het vrijwillige kader heeft onvoldoende geholpen. De moeder heeft daarnaast last van stress en somberheid doordat zij een aantal heftige levensgebeurtenissen heeft meegemaakt, waaronder het verliezen van een aantal familieleden in korte tijd. De moeder ontvangt hier hulpverlening voor. [naam01] verblijft sinds juni 2023 bij de opa en oma vaderszijde. Hij krijgt hier de structuur en duidelijkheid die hij nodig heeft en zijn zelfbepalende gedrag is verminderd. Volgens de Raad is het op dit moment te vroeg om [naam01] weer terug te plaatsen bij de ouders. De Raad ziet de verbetering bij de moeder, maar zij is er nog niet. Er moet onder meer nog gewerkt worden aan de ouder-kindrelatie. Het is begrijpelijk dat de ouders het kind zo snel mogelijk weer thuis willen hebben. Desalniettemin is het belangrijk dat dit gefaseerd en met een zorgvuldig plan gebeurd, zodat de terugplaatsing ook blijvend zal zijn. Ter zitting heeft de Raad vernomen dat de ouders gaan scheiden. Dit heeft ook voor [naam01] grote gevolgen en het is daarom extra belangrijk dat de veilige en stabiele plek bij opa en oma vaderszijde de komende periode gewaarborgd blijft. Mocht binnen de verzochte termijn van zes maanden voor de uithuisplaatsing de opvoedingssituatie bij de ouders zijn verbeterd, dan kan [naam01] eerder teruggeplaatst worden. Ten aanzien van de ondertoezichtstelling verzoekt de Raad een termijn van negen maanden, zodat de jeugdbeschermer nog zicht kan houden op de ontwikkeling van [naam01] als hij weer bij de ouders woont.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. Volgens haar had het verzoek van de Raad niet gehoeven. Met name de machtiging tot uithuisplaatsing vindt zij niet nodig. Mocht deze uithuisplaatsing er alsnog komen, dan is drie maanden meer dan genoeg. De moeder wil dat [naam01] zo snel mogelijk weer thuis komt wonen en wil graag weer dingen met [naam01] alleen doen. Zij is in staat om voor [naam01] te zorgen. Het afgelopen jaar is voor haar heel heftig geweest, zij heeft veel verdriet meegemaakt, waarvoor zij geen steun kreeg. Ten aanzien van het contact met [naam01] heeft zij het recht om te weten wat er thuis bij de opa en oma vaderszijde speelt en zou zij graag bij [naam01] op bezoek komen wanneer zij dat wil. De vader heeft aangegeven te willen scheiden en hij wil dat de moeder voor één januari het huis uit is. Dit is volgens de moeder niet haalbaar.
4.2.
De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader respecteert het besluit van de kinderrechter. Hij denkt dat de termijn van zes maanden voor de uithuisplaatsing passend is, omdat de ouders nu ook onderling in de clinch liggen. De scheiding is in gang gezet en zij praten op dit moment niet meer met elkaar.
4.3.
De gecertificeerde instelling is sinds kort betrokken als preventief jeugdbeschermer. Zij onderschrijft de zorgen van de Raad. Op dit moment gaan de contactmomenten tussen [naam01] en de moeder goed en is er al gedeeltelijk sprake van onbegeleid contact. Hierin zijn positieve stappen te zien. De gecertificeerde instelling vindt het belangrijk dat het traject van terugplaatsing zorgvuldig gebeurd. Zij kan geen concrete termijn geven voor de terugplaatsing, omdat zij niet weet hoe de toekomst eruit ziet. De scheiding van de ouders zorgt ervoor dat [naam01] niet langer terug bij de ouders samen zal gaan wonen. Dit leidt tot een nieuwe situatie, die mee zal moeten worden genomen in het proces van de terugplaatsing van [naam01] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat [naam01] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [naam01] heeft in de thuissituatie sterk zelfbepalend gedrag laten zien, waarin hij onvoldoende werd begrensd, waardoor hij zichzelf en anderen in onveilige situaties bracht. De vader is veel afwezig door zijn werk, waardoor de zorg van [naam01] grotendeels bij de moeder ligt. Door het gedrag van [naam01] en de heftige gebeurtenissen die de moeder het afgelopen jaar heeft meegemaakt, is zij overbelast geraakt. Het is positief dat de moeder hulp ontvangt voor haar eigen problematiek en zij stappen vooruit heeft gezet. Ten aanzien van de ouder-kindrelatie zijn er nog wel stappen te maken. Daarnaast zullen de komende maanden voor zowel de ouders als voor [naam01] ingrijpend zijn nu de ouders hebben besloten te gaan scheiden. Het is duidelijk dat [naam01] baat heeft bij zo veel mogelijk structuur en duidelijkheid. De kinderrechter maakt zich zorgen over onderlinge verstandhouding tussen de ouders. Op de zitting reageerde ouders heftig op elkaar en was er geen enkele vorm van samenwerking te zien. Het is belangrijk dat de ouders hulp ontvangen bij het zo goed mogelijk regelen van de scheiding en de gevolgen die deze scheiding zal hebben voor [naam01] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ouders onvoldoende bij machte zijn om de ontwikkelingsbedreiging zelfstandig af te wenden. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is daarom noodzakelijk. Deze jeugdbeschermer kan niet alleen regie en toezicht houden op de ontwikkeling van [naam01] en de terugplaatsing naar huis, maar kan ook hulp inzetten voor de ouders ten aanzien van de scheiding, zoals Ouderschap Blijft. Met het oog op de vele veranderingen die de komende periode nog gaan plaatsvinden acht de kinderrechter een termijn van negen maanden voor de ondertoezichtstelling passend en geboden.
5.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Sinds de plaatsing van [naam01] bij de opa en oma vaderszijde gaat het beter met hem. Het is belangrijk dat nog verder gewerkt wordt aan de ouder-kindrelatie tussen de ouders en [naam01] , zodat voorkomen wordt dat [naam01] terugvalt in zijn oude gedrag bij de thuisplaatsing. Wel benadrukt de kinderrechter dat zo snel als mogelijk toegewerkt moet worden naar de thuisplaatsing. Deze plaatsing moet op een zorgvuldige manier plaatsvinden, zodat de thuisplaatsing ook duurzaam zal zijn. De komende maanden zal er nog veel op [naam01] afkomen en is het van groot belang dat hij een stabiele basis als woonsituatie heeft. De kinderrechter zal daarom een machtiging uithuisplaatsing verlenen voor de duur van zes maanden. Mocht de thuisplaatsing eerder mogelijk zijn, dan moet hierop ingezet worden. Verder moet er aandacht zijn voor de disbalans tussen de ouders, nu [naam01] bij zijn grootouders vaderszijde verblijft en de ouders in scheiding liggen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [naam01] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 16 oktober 2023 tot 16 juli 2024;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam01] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 oktober 2023 tot 16 april 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2023 door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 26 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.