ECLI:NL:RBDHA:2023:16531
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en verblijfsgat
Eiseres, afkomstig uit het buitenland, had sinds 2018 diverse verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd, laatstelijk als kennismigrant tot 1 maart 2022. Na het einde van haar vorige vergunning ontstond een verblijfsgat omdat de nieuwe vergunning met ingang van 1 mei 2022 werd toegekend, terwijl zij vanaf 14 maart 2022 een nieuwe arbeidsovereenkomst had en aan het looncriterium voldeed.
De staatssecretaris handhaafde de ingangsdatum op 1 mei 2022, stellende dat eiseres pas toen aan de voorwaarden voldeed. Eiseres betoogde dat de vergunning aansluitend vanaf 1 maart 2022 had moeten ingaan, of in ieder geval vanaf 14 maart 2022 toen haar nieuwe arbeidsovereenkomst begon en het looncriterium werd gehaald.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de verblijfsvergunning niet eerder kan ingaan dan de dag van ontvangst van de aanvraag (14 maart 2022). Afwijking op grond van het evenredigheidsbeginsel is niet toegestaan omdat bijzondere omstandigheden ontbreken. Wel oordeelt de rechtbank dat de staatssecretaris ten onrechte de ingangsdatum niet op 14 maart 2022 heeft gesteld, omdat aan het looncriterium per die datum werd voldaan.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft, stelt deze vast op 14 maart 2022, en veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Eiseres hoeft Nederland niet te verlaten en behoudt haar werkgelegenheid.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 14 maart 2022, waarmee het verblijfsgat wordt opgeheven.