ECLI:NL:RBDHA:2023:16537

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 september 2023
Publicatiedatum
3 november 2023
Zaaknummer
NL23.22208
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van asielaanvraag wegens niet verschijnen bij nader gehoor

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 11 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 26 juli 2023 af als kennelijk ongegrond omdat eiser niet was verschenen bij het nader gehoor op 20 juli 2023.

Eiser stelde in beroep dat hij de uitnodiging voor het gesprek niet had ontvangen en dat hij daarom alsnog gehoord had moeten worden. De rechtbank stelde vast dat uitnodigingsbrieven op 7 juli 2023 naar eiser en zijn gemachtigde waren gestuurd. De casemanager van de opvanglocatie bevestigde dat eiser op 19 juli 2023 aanwezig was en een afsprakenkaart had met de datum van het gehoor, maar niet in de taxi naar het gesprek stapte.

Omdat eiser geen zienswijze had ingediend en niet was verschenen ter zitting om uitleg te geven, oordeelde de rechtbank dat het niet verschijnen niet verschoonbaar was. Een subsidiële beroepsgrond werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens niet verschijnen bij het nader gehoor.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.22208
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V nummer] (gemachtigde: mr. F. Lavell),

en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft op 11 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 juli 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.22209, op
11 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser zonder goede reden niet is verschenen op het gesprek van 20 juli 2023. Er konden daarom geen nadere vragen worden gesteld over de reden van het vertrek uit Algerije waardoor niet bekend is wat de redenen van eisers asielaanvraag zijn. De aanvraag is daarom afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4. Eiser voert in beroep aan dat hij de uitnodiging voor het gesprek op 20 juli 2023 niet heeft ontvangen. Eiser had daarom nog een keer in de gelegenheid moeten worden gesteld om te worden gehoord.
5. Uit het dossier blijkt dat op 7 juli 2023 uitnodigingsbrieven naar eiser en zijn gemachtigde zijn gestuurd waarbij eiser is uitgenodigd voor een nader gehoor op 20 juli
2023. In geschil is of eiser deze uitnodigingsbrief heeft ontvangen. Niet in geschil is dat de gemachtigde van eiser deze uitnodigingsbrief wel heeft ontvangen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat hij - naar aanleiding van deze uitnodigingsbrief - contact heeft opgenomen met eiser, maar dat het niet is gelukt om contact met hem te krijgen.
7. De rechtbank stelt vast staat dat eiser niet op het nader gehoor van 20 juli 2023 is verschenen. In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder toegelicht dat verweerder op 20 juli 2023 (nadat eiser niet op het gesprek was verschenen) contact heeft opgenomen met het COA locatie [geboortedatum] waar eiser verblijft. De casemanager heeft vervolgens verklaard dat eiser op 19 juli 2023 nog is gezien en dat hij een afsprakenkaart had waarop de afspraak van 20 juli 2023 stond genoteerd. Verder heeft de casemanager verklaard dat er op 20 juli 2023 een taxi naar Gilze is gekomen maar dat eiser niet is ingestapt. Gelet op deze toelichting van verweerder en gelet op het feit dat eiser geen zienswijze heeft ingediend en dat hij ook niet is verschenen ter zitting om uitleg te geven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet verschijnen tijdens het nader gehoor niet verschoonbaar is.
8. Eiser heeft tot slot ter zitting (subsidiair) naar voren gebracht dat de aanvraag buiten behandeling had moeten worden gesteld. De rechtbank acht deze beroepsgrond zodanig laat naar voren gebracht dat dit in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank laat deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 september 2023

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.