De gedetineerde, verdachte in meerdere strafzaken, waaronder handel in verdovende middelen en betrokkenheid bij een moordonderzoek, vordert onder meer zijn onmiddellijke vrijlating, overplaatsing naar een afdeling met meer faciliteiten, en verwijdering of verlaging van zijn status op de GVM-lijst.
De rechtbank stelt dat de gedetineerde voldoende rechtsmiddelen heeft via de strafrechter en penitentiaire rechter om zijn voorlopige hechtenis en detentiefaciliteiten aan te vechten, waardoor de civiele kortgedingrechter niet-ontvankelijk is in de meeste vorderingen. De vordering tot verwijdering van de GVM-lijst is ontvankelijk, maar wordt afgewezen omdat het Operationeel Overleg (OO) op redelijke gronden de gedetineerde met status 'hoog' heeft geplaatst, gebaseerd op onder meer rapporten van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt.
De rechtbank benadrukt dat de strafrechter al heeft geoordeeld dat de gedetineerde niet recht heeft op onbeperkte faciliteiten en dat de civiele rechter zich in beginsel aan dat oordeel moet houden. De kosten van de procedure worden aan de gedetineerde opgelegd.