ECLI:NL:RBDHA:2023:16676

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 november 2023
Publicatiedatum
7 november 2023
Zaaknummer
AWB 23/5105
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 32 Verordening (EU) Nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst

Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, heeft op 12 oktober 2022 een visum voor kort verblijf aangevraagd om een referent in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd op 18 oktober 2022 afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond, en er twijfel bestond over haar terugkeer naar Suriname.

Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd. Eiseres stelde dat zij economische binding heeft via een baan en inkomen uit rijstarealen en sociale binding door haar zoon die zij financieel ondersteunt. Verweerder vond de overgelegde documenten onvoldoende bewijs van daadwerkelijke inkomsten en binding.

De rechtbank toetste terughoudend en concludeerde dat verweerder het bezwaar terecht ongegrond verklaarde. De economische en sociale binding met Suriname was onvoldoende aangetoond, en toekomstige gebeurtenissen zoals het terugkeren van haar zoon zijn onzeker.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 1 november 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aantoonbare binding met Suriname.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/5105

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: M. Pink Esajas),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 26 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om een zitting achterwege te laten. Eiseres en verweerder hebben zich hiermee akkoord verklaard. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Surinaamse nationaliteit te hebben. Op 12 oktober 2022 heeft zij een visum voor kort verblijf aangevraagd. Daarbij heeft zij meegedeeld in Nederland de heer [naam 2] te willen bezoeken, die als referent optreedt. Volgens eiseres heeft zij al vier jaar intensief contact met referent en doen zij vrijwel dagelijks samen hun Bijbelstudie via een beeldverbinding. Ook heeft eiseres meegedeeld dat zij met referent het Kerstfeest wil vieren en dat zij familie en vrienden willen bezoeken.
2. In het besluit van 18 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 32 van Pro de Verordening (EU) Nr. 810/2009 (Visumcode). Verweerder stelt zich op het standpunt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eiseres in Nederland onvoldoende zijn aangetoond, dat eiseres niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor het verblijf in Nederland en de terugreis naar haar land van herkomst, en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om vóór het verstrijken van het visum Nederland weer te verlaten.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij is akkoord gegaan met het afzien van een fysieke hoorzitting, maar heeft wel schriftelijk diverse vragen van verweerder beantwoord. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder handhaaft de afwijzingsgrond dat twijfel bestaat of eiseres vóór het einde van het visum Nederland weer zal verlaten. Volgens verweerder is namelijk onvoldoende aangetoond dat eiseres sociale en economische binding heeft met Suriname. Verder is in het bestreden besluit opgenomen dat eiseres recht heeft op € 1.442,- aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat er wel sprake is van economische binding met Suriname, omdat zij daar een baan heeft en inkomen geniet vanuit rijstarealen. Hierbij heeft eiseres een werkgeversverklaring en een echtheidsverklaring van een notaris overgelegd. Ook is er volgens eiseres sprake van sociale binding met Suriname, omdat zij een innige band met haar zoon heeft, die na zijn studie in Rusland weer thuis komt wonen, en hem financieel onderhoudt. Verweerder houdt volgens eiseres te weinig rekening met de situatie in Suriname, waar gezinsleven niet eindigt als iemand 18 wordt. Ook was er in oktober 2022 in Suriname nog sprake van beperkingen vanwege de coronacrisis, zodat verweerder het ten onrechte als tegenstrijdig heeft aangemerkt dat eiseres heeft meegedeeld in die periode werkloos te zijn. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiseres verschillende verblijfsperioden heeft genoemd, aangezien zij rekening moet houden met haar werk, vakantiedagen, bezoek van haar zoon en activiteiten in de kerk.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In de Visumcode staat dat het de verantwoordelijkheid van de aanvrager is om tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Verweerder heeft een ruime beoordelingsmarge bij het beoordelen van de vraag of dat is gebeurd. Dat blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862 (Koushkaki tegen Duitsland). Dit brengt mee dat de rechtbank de beoordeling van verweerder terughoudend moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank niet zijn eigen beoordeling in de plaats van die van verweerder mag stellen, maar moet nagaan of verweerder het bestreden besluit voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.
6. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiseres niet heeft aangetoond over voldoende economische binding met Suriname te beschikken. Eiseres heeft gesteld dat zij werkzaam is voor [naam 3] B.V. en daarbij een werkgeversverklaring overgelegd. Met de door eiseres overgelegde verklaring van de notaris is nog niet opgehelderd dat daadwerkelijk sprake is van een werknemerschap aan de zijde van eiseres, aangezien blijkt uit het door eiseres overgelegde uittreksel uit het handelsregister dat zij mede-oprichter is van [naam 3] B.V.. Daar komt nog bij dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij inkomsten ontvangt vanuit [naam 3] B.V.. Uit de door haar overgelegde bankafschriften blijkt dit niet. Ook blijkt daaruit niet dat de bijgeschreven bedragen daadwerkelijk afkomstig zijn uit erfenis bestaande uit opbrengsten van rijstarealen.
7. Verder heeft verweerder ook kunnen overwegen dat eiseres niet heeft aangetoond over voldoende sociale binding met Suriname te beschikken. Dat eiseres haar zoon financieel ondersteunt, maakt niet dat zij daardoor ook in sociaal opzicht aan Suriname is gebonden. Bovendien verblijft deze zoon momenteel vanwege zijn studie niet in Suriname. Dat de zoon na zijn studie weer bij eiseres zou gaan wonen, is een toekomstige onzekere gebeurtenis. De omstandigheden dat eiseres in Suriname is geboren en daar op dit moment woont, zijn ook onvoldoende. Verder heeft eiseres gesteld dat zij een rijk sociaal leven heeft en actief is in een kerkgenootschap, maar dit is op geen enkele manier onderbouwd.
8. Reeds hieruit blijkt dat verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond heeft kunnen verklaren.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 1 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.