ECLI:NL:RBDHA:2023:16854

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 oktober 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
NL23.32778
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is sinds 6 maart 2023 van kracht en is meerdere malen verlengd. Eiser betwist de rechtmatigheid van het voortduren van deze maatregel en voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, mede vanwege onduidelijkheid over zijn nationaliteit en het ontbreken van zicht op uitzetting.

De rechtbank stelt vast dat de nationaliteit van eiser niet definitief vaststaat, aangezien hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn Marokkaanse en Algerijnse nationaliteit. De staatssecretaris heeft tijd gekregen om dit te onderzoeken en heeft een laissez-passer-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten, met regelmatige rappels. Een aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten is niet verplicht zolang eiser zijn Algerijnse nationaliteit niet met documenten onderbouwt.

Verder oordeelt de rechtbank dat er geen reden is om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De lopende aanvraag bij Marokko en het ontbreken van een negatieve reactie van de Marokkaanse autoriteiten ondersteunen dit. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard en de voortzetting van de maatregel van bewaring blijft rechtmatig. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het voortduren van de maatregel van bewaring is rechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.32778

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het het voortduren van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 6 maart 2023.
1.1.
De staatssecretaris heeft de rechtbank op 12 oktober 2023 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de staatssecretaris verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de staatssecretaris een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 27 maart 2023. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 13 juni 2023. [2] Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 8 augustus 2023. [3] De staatssecretaris heeft de maatregel met zijn besluit van 29 augustus 2023 met ten hoogste twaalf maanden verlengd. Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld. Op dat beroep is uitspraak gedaan op 24 oktober 2023. [4]
1.3.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 18 oktober 2023 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring
rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet
onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [5]
4.1.
Uit de uitspraak van 8 augustus 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 7 augustus 2023) rechtmatig was.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij naast de Marokkaanse nationaliteit ook de Algerijnse nationaliteit bezit. Eiser betoogt dat niet is gebleken dat de staatssecretaris iets met deze informatie heeft gedaan. De staatssecretaris dient, volgens eiser, een verzoek om een laissez-passer (lp) in te dienen bij de Algerijnse autoriteiten.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank neemt hierin mee dat de nationaliteit
van eiser nog niet vast staat. De rechtbank stelt vast dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn nationaliteit. Tijdens het laatste gevoerde vertrekgesprek op 25 september 2023 heeft hij verklaard dat hij zowel de Marokkaanse als de Algerijnse nationaliteit heeft. Vanaf het begin van de inbewaringstelling is de staatssecretaris alleen uitgegaan van de Marokkaanse nationaliteit. Pas tijdens de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij (ook) de Algerijnse nationaliteit heeft. De staatssecretaris mag tijd gegund worden om onderzoek te doen naar de daadwerkelijke nationaliteit van eiser. Er bestaan nog steeds voldoende aanknopingspunten dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Dit volgt alleen al uit het feit dat eiser als eerste heeft verklaard dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Daarom is op 8 maart 2023 een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Hierop wordt regelmatig gerappelleerd, met als laatst 21 september 2023. De staatssecretaris is (nog) niet gehouden om een lp-aanvraag te verzenden naar de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft namelijk nog niet met documenten onderbouwd dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt.
Ontbreekt zicht op uitzetting?
6. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn. Eiser betoogt dat al geruime tijd geen lp’s worden verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten. De rappels treffen, volgens eiser, geen doel. Hetzelfde geldt voor de Algerijnse autoriteiten. Eiser stelt dan ook dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [6] Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels anders ligt. De lp-aanvraag van 8 maart 2023 loopt nog steeds. Uit de voortgangsrapportage blijkt ook dat de staatssecretaris regelmatig rappelleert op de lp-aanvraag. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd is onvoldoende voor de conclusie het zicht op uitzetting in het individuele geval van eiser ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Verder heeft eiser zijn betoog dat al geruime tijd geen lp’s zijn verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten niet onderbouwd.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het voortduren van de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 27 maart 2023, zaaksnummer: NL23.7206.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 13 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8747.
3.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 8 augustus 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4699.
4.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 24 oktober 2023, zaaksnummer: NL23.31621.
5.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
6.ABRvS 16 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1968 en ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.