ECLI:NL:RBDHA:2023:16975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
NL23.31935
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 4.39 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 24 oktober 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiseres bezwaar maakte tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiseres voerde onder meer aan dat het verdedigingsbeginsel was geschonden doordat geen piketmelding was gedaan en dat de maatregel onevenredig was vanwege haar persoonlijke omstandigheden, waaronder gezondheidsproblemen en een miskraam. Tevens stelde zij dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding van haar uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris rechtmatig had gehandeld: de voorkeursadvocaat was tijdig geïnformeerd, de bewaring was gebaseerd op feitelijk juiste zware gronden zoals het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van een verwijderingsbesluit, en er waren geen minder ingrijpende maatregelen mogelijk. Ook werd geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend was geweest in de uitzettingsprocedure.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31935

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het kennisgevingsberoep van eiseres tegen het bestreden besluit van 11 september 2023, waarin de staatssecretaris aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd.
1.1.
De staatssecretaris heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, via beeldverbinding, de gemachtigde van eiseres, via een telefonische verbinding, de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiseres in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de staatssecretaris in strijd gehandeld met het verdedigingsbeginsel?
4. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met het verdedigingsbeginsel. Eiseres betoogt dat de staatssecretaris een piketmelding had moeten doen tijdens de ophouding van eiseres. Dit heeft de staatssecretaris ten onrechte niet gedaan. Eiseres stelt dat de staatssecretaris weliswaar de voorkeursadvocaat heeft gecontacteerd, maar die niet aanwezig kon zijn bij het gehoor.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor (M110) van 11 september 2023 volgt dat op dezelfde datum om 10:11 uur de voorkeursadvocaat van eiseres telefonisch op de hoogte is gebracht van de op handen zijnde inbewaringstelling. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt ook dat zij niet aanwezig kon zijn bij het gehoor. Verder blijkt dat aan eiseres toestemming is gevraagd om zonder de aanwezigheid van haar advocaat aanvang te maken aan het gehoor. Hiermee heeft eiseres ingestemd.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris niet gehouden was om in dit geval een piketmelding te doen. De rechtbank overweegt dat uit paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat de piketcentrale of de voorkeursadvocaat worden bericht over de voorgenomen inbewaringstelling indien de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst. Er mag met het gehoor zonder bijzijn van een advocaat worden begonnen indien de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is. Gezien hetgeen is vastgesteld in overweging 4.1, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de staatssecretaris alsnog een piketmelding had moeten doen.
Kunnen de gronden de maatregel dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris de onbetwiste zware grond 3b terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de staatssecretaris terecht aan deze grond ten grondslag legt is eiseres op 28 maart 2023 met onbekende bestemming vertrokken en heeft zich niet gehouden aan de aan haar opgelegde verwijderingsbesluit. Eiseres heeft zich nadien niet in persoon gemeld bij de korpschef. Dit is op grond van artikel 4.39 van het Vb 2000 wel een verplichting die op haar rust. Ook de onbetwiste zware grond 3c is feitelijk juist. Bij besluit van 10 februari 2023 is namelijk vastgesteld dat eiseres niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en is aan haar een verwijderingsbesluit opgelegd. Eiseres heeft geen gevolg gegeven aan het opgelegde besluit en de daaruit volgende verplichting om Nederland onmiddellijk te verlaten. Voor de zware gronden 3b en 3c is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. [1] Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen. Wat eiseres verder heeft aangevoerd ten aanzien van de overige gronden van bewaring, kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de staatssecretaris moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris een lichter middel had moeten opleggen. Eiseres betoogt dat de maatregel van bewaring namelijk onevenredig bezwarend is voor haar. De staatssecretaris had, volgens eiseres, rekening moeten houden met het gegeven dat zij gezondheidsproblemen heeft, een miskraam heeft gehad in Zweden en nu fysiek is gescheiden van haar echtgenoot.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich, gelet op de gronden
die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in
dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de
inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De gezondheidsproblemen en persoonlijke omstandigheden van eiseres heeft de staatssecretaris meegewogen bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De staatssecretaris heeft in de maatregel namelijk gemotiveerd dat eiseres medische problemen heeft, maar dat deze problemen haar niet detentieongeschikt maken, omdat er in de detentiecentra medische zorg aanwezig is die van gelijke kwaliteit is als de medische zorg in de vrije maatschappij. De staatssecretaris heeft in dat verband ook terecht gesteld dat, gelet op de gelijkwaardigheid van de zorg in de detentiecentra, aangenomen mag worden dat eiseres ook in het detentiecentrum toegang heeft tot de door haar benodigde medicatie. Ook het gegeven dat zij fysiek is gescheiden van haar echtgenoot en dat zij in Zweden een miskraam heeft gehad, doen, hoe ingrijpend ook, niet af aan het onttrekkingsrisico.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
7. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De staatssecretaris heeft namelijk op de achtste dag van de inbewaringstelling een laissez-passer (lp) aanvraag ingediend bij de Tunesische autoriteiten. Volgens eiseres is dit te laat.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. [2] De staatssecretaris heeft op 11 september 2023, de eerste dag van de inbewaringstelling, een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een vertrekgesprek is aan te merken als een handeling van directe betekenis voor de overdracht. [3] Dat de lp-aanvraag op 18 september 2023 is ingediend, doet daaraan niet af. De staatssecretaris heeft namelijk tijdig daadwerkelijke uitzettingshandelingen verricht. Ter zitting heeft de staatssecretaris verder gesteld dat al twee keer is gerappelleerd op de lp-aanvraag.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiseres rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiseres hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.ABRvS 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270; ABRvS 26 juli 2023,
3.ABRVS 4 mei 2018, ECLI.NL:RVS:2018:1505.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.