ECLI:NL:RVS:2009:BK2270
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Voldoende voortvarendheid bij uitzetting vreemdeling ondanks paspoortbezit
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat onvoldoende voortvarend was gehandeld bij de uitzetting van een vreemdeling. De vreemdeling was op 14 augustus 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld en beschikte over een geldig, op zijn naam gesteld paspoort. De rechtbank stelde dat de staatssecretaris pas op de zevende dag van de bewaring met de daadwerkelijke uitzettingsvoorbereiding was begonnen, wat onvoldoende voortvarend was.
De staatssecretaris voerde aan dat de overplaatsing naar het uitzetcentrum en de overdracht van het dossier aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) noodzakelijke stappen zijn die ook meetellen voor voortvarendheid. De Raad van State overwoog dat deze handelingen weliswaar verband houden met de uitzetting, maar geen directe betekenis hebben voor de daadwerkelijke uitzetting. Het vertrekgesprek en de vluchtboeking op de zevende dag zijn wel directe handelingen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris heeft voldoende voortvarend gehandeld door op de zevende dag met de daadwerkelijke voorbereiding te beginnen, ondanks het bezit van een geldig paspoort. Er is geen aanleiding voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.