ECLI:NL:RBDHA:2023:17242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
13 november 2023
Zaaknummer
NL23.34074
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, VwArt. 18, eerste lid, onder d, DublinverordeningArt. 5.1b, eerste en derde lid, VreemdelingenbesluitArt. 5.1b, eerste en vierde lid, Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, stelde dat hij in het bezit was van een geldig Italiaans verblijfsdocument, hetgeen volgens hem had moeten worden meegewogen bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank oordeelt dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd en dat uit het dossier blijkt dat Italië heeft ingestemd met terugname van eiser op basis van de Dublinverordening.

Verweerder legde de maatregel op vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken. De rechtbank stelt vast dat de zwaarste gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan vertrek, feitelijk juist zijn en voldoende grond bieden voor de maatregel.

Eiser voerde aan dat een lichter middel mogelijk was, omdat hij in afwachting van een laissez-passer niet kon vertrekken en geen risico liep op onttrekking. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is en dat verweerder voortvarend heeft gehandeld door tijdig contact met de Nigeriaanse autoriteiten.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34074

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

v-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is - met behulp van een beeldverbinding - verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is telefonisch verschenen de heer D. Ehigine. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder heeft miskent dat hij in het bezit is van een geldig Italiaans verblijfsdocument. Dat had verweerder moeten betrekken bij zijn afweging om aan eiser een maatregel van bewaring op te leggen.
3. De rechtbank volgt dit niet. Eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd. Dat bij de inbewaringstelling een Italiaans verblijfsdocument bij eiser is aangetroffen blijkt niet uit de dossierstukken. Van belang is verder dat uit het gehoor voorafgaand aan de maatregel blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen omdat zijn aanvraag in Italië was afgewezen. [2] Ook stelt de rechtbank vast dat Italië op 9 november 2020 heeft ingestemd met de terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening [3] . Van die grond is sprake indien het asielverzoek in de ontvangende lidstaat is afgewezen. Ter zitting heeft verweerder gewezen op de bevestiging van de Italiaanse autoriteiten dat eiser geen verblijfstitel in Italië heeft.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, als zware gronden [4] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser: [5]
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen zijn als zodanig niet betwist. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3a feitelijk juist is. Daarnaast is zware grond 3c ook feitelijk juist. Deze beide zware gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De overige gronden behoeven dan ook geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
6. Eiser voert aan dat verweerder met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon volstaan. Voor eiser is al in juli 2023 een laissez-passer (LP) aangevraagd, maar tot op heden hebben de Nigeriaanse autoriteiten niet gereageerd. Er bestaat volgens eiser geen risico dat hij zich in afwachting van een LP aan het toezicht onttrekt omdat hij nergens heen kan. Eiser had zijn uitzetting daarom in een opvanglocatie kunnen afwachtten. Door niet om een presentatie van eiser bij de Nigeriaanse autoriteiten te verzoeken, werkt verweerder verder onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting.
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Eiser heeft de vertrektermijn ongebruikt laten verstrijken. Hij heeft geen verifieerbare activiteiten ondernomen die konden leiden tot zelfstandig vertrek. Het voeren van vertrekgesprekken heeft hem onvoldoende aangemoedigd aan zijn vertrek te werken. Verder heeft eiser niet meegewerkt aan de LP-aanvraag. Verweerder heeft daarmee voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen.
8. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft ter zitting het verslag van een vertrekgesprek van 30 oktober 2023 in het dossier gebracht. Op die dag heeft verweerder een kopie van eisers rijbewijs verzonden naar de Nigeriaanse autoriteiten. In zijn brief aan de rechtbank van 31 oktober 2023 heeft verweerder verder toegelicht dat met het verzenden van die kopie op 30 oktober 2023 aan de Nigeriaanse autoriteiten om een schriftelijke presentatie is verzocht. Verweerder heeft dus op de vierde dag van de tenuitvoerlegging van de maatregel de eerste uitzettingshandeling uitgevoerd. Hiermee heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld.
9. Ook overigens is niet gebleken dat de bewaring van eiser onrechtmatig moet worden geacht.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Het Proces-verbaal van gehoor van 26 oktober 2023, pagina 4.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
5.Onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb.