ECLI:NL:RBDHA:2023:17286
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek wegens onvoldoende aanwijzingen voor vooringenomenheid rechterlijke kamer
Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters van de meervoudige kamer die zijn zaak behandelden. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid en onbegrijpelijke motivering bij het afwijzen van getuigenverzoeken en het schorsen van het voorarrest.
De wrakingskamer beoordeelde dat wraking slechts mogelijk is bij bijzondere omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren. Uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn. Het verzoeker heeft onvoldoende concrete feiten aangevoerd om aan te tonen dat de motivering van de (tussen)beslissing niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als blijk van vooringenomenheid.
De kamer benadrukte dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen wraking op basis van motivering, tenzij deze ondubbelzinnig wijst op partijdigheid. Omdat dit niet het geval was, werd het wrakingsverzoek afgewezen. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is afgewezen wegens het ontbreken van concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.