Eiser, eigenaar van een evenementen- en artiestenbureau, vroeg een Tozo-uitkering voor levensonderhoud aan voor juli, augustus en september 2021. Verweerder wees de aanvraag af omdat het netto-inkomen van eiser in deze maanden boven de bijstandsnorm lag. Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat hij geen winst had en zijn omzet gebruikte om het bedrijf draaiende te houden, mede door de coronamaatregelen.
De rechtbank overwoog dat op grond van de Participatiewet en de Tozo-regeling bijstand niet wordt verstrekt voor perioden voorafgaand aan de aanvraagdatum, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Eiser had zijn aanvraag op 30 september 2021 ingediend, waardoor bijstand voor juli 2021 niet mogelijk was. Voor augustus en september 2021 bleek uit de ingediende gegevens dat het inkomen boven de norm lag, ook rekening houdend met de fiscale bepalingen.
Het beroep op de menselijke maat werd verworpen omdat de wet en de bijstandsnorm duidelijk zijn en eiser niet voldeed aan de inkomenseis. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.