ECLI:NL:CRVB:2017:1019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand met terugwerkende kracht na digitale inschrijving als werkzoekende
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 1 januari 2015, maar diende de aanvraag pas op 6 juli 2015 in. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende informatie, maar kende later bijstand toe vanaf 6 juli 2015. Het bezwaar tegen de toepassing van de kostendelersnorm over een deel van de periode werd gegrond verklaard, maar het bezwaar tegen de ingangsdatum werd ongegrond verklaard.
De rechtbank wees het beroep tegen deze beslissing af. In hoger beroep stelde appellant dat zijn digitale inschrijving bij het UWV op 12 juni 2015 als melding in de zin van de Participatiewet moest worden beschouwd, zodat bijstand met terugwerkende kracht vanaf die datum zou moeten worden toegekend. De Raad oordeelde dat digitale inschrijving geen melding is omdat er nog geen registratie van naam, adres en woonplaats was en appellant niet in staat werd gesteld een aanvraag in te dienen.
Zelfs als de digitale inschrijving als melding zou gelden, heeft appellant niet zo spoedig mogelijk daarna een aanvraag ingediend. Ook de door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals het ontbreken van middelen van bestaan sinds januari 2015, rechtvaardigen geen terugwerkende bijstand. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; bijstand niet toegekend met terugwerkende kracht vóór 6 juli 2015.