ECLI:NL:RBDHA:2023:17419
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering bij ontbreken tussentijds opzegbeding in arbeidsovereenkomst
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin hem de WW-uitkering werd geweigerd omdat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen tussentijds opzegbeding bevatte. Eiser stelde dat de vaststellingsovereenkomst waarin een einddatum en opzegtermijn van vier maanden zijn opgenomen, de arbeidsovereenkomst ontbindt en dat dit moet gelden voor zijn recht op WW-uitkering.
De rechtbank stelt vast dat een tussentijds opzegbeding weliswaar kan worden toegevoegd via een addendum bij de arbeidsovereenkomst, maar dat dit bij eiser niet is gebeurd. De vaststellingsovereenkomst is geen arbeidsovereenkomst en kan daarom niet worden aangemerkt als een geldige plaats voor een dergelijk opzegbeding. De rechtbank volgt hiermee de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en verwerpt het betoog van eiser dat een addendum vlak voor het tekenen van de vaststellingsovereenkomst hetzelfde zou zijn.
Verder oordeelt de rechtbank dat de medische situatie van eiser geen aanleiding geeft om af te wijken van artikel 19, vierde lid, WW. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst medisch noodzakelijk was. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser heeft geen recht op WW-uitkering tot en met 31 oktober 2022.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en hij krijgt geen WW-uitkering tot en met 31 oktober 2022.