ECLI:NL:CRVB:2011:BU6521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds november 2008 in dienst als advocaat-stagiaire en beëindigde de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 9 mei 2009, waarbij rekening werd gehouden met een opzegtermijn van één maand.
Het UWV weigerde de WW-uitkering van appellant voor de periode 11 tot en met 31 mei 2009 wegens een benadelingshandeling, omdat appellant de werkgever niet aan de opzegtermijn zou hebben gehouden en geen vergoeding had bedongen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de werkgever niet aan de opzegtermijn kon voldoen.
In hoger beroep stelde appellant dat de schriftelijke overeenkomst een afwijking van de opzegtermijn bevatte en dat de werkgever vanwege financiële problemen niet bereid was de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren of een vergoeding te betalen. De Raad oordeelde dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst geen geldige afwijking van de opzegtermijn bevatte en dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat het niet haalbaar was de arbeidsovereenkomst later te laten eindigen of een vergoeding te verkrijgen.
De Raad vernietigde echter de uitspraak van de rechtbank wegens onvoldoende motivering van het besluit over de berekening van het dagloon, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten. De WW-uitkering werd terecht geweigerd tot en met 31 mei 2009 wegens benadelingshandeling.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de dagloonberekening, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.