ECLI:NL:RBDHA:2023:17478
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel Frankrijk
Eiser, van Syrische nationaliteit, maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank beoordeelde het beroep zonder zitting en concludeerde dat de staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Dit betekent dat Nederland mag vertrouwen op de adequate behandeling van asielaanvragen in Frankrijk, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen die leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest.
Eiser stelde dat zijn zoon medische zorg nodig heeft en dat opvangfaciliteiten in Frankrijk onvoldoende zijn, maar slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op schending van zijn rechten bij overdracht. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de overgelegde stukken voldoende heeft betrokken en dat de verwijzing naar oudere jurisprudentie niet onjuist is.
Ook was er geen reden om de aanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro aan Nederland toe te wijzen. De medische situatie van de zoon van eiser rechtvaardigt volgens de rechtbank geen onevenredige hardheid. De gezinshereniging komt pas aan de orde na een eventuele toekenning van asiel, wat hier nog niet aan de orde is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.