ECLI:NL:RVS:2021:1256
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid lidstaat voor asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling, omdat op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat Nederland verantwoordelijk was, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat de rechtbank ten onrechte de toepassing van de zogenaamde 'chain rule' heeft betrokken, terwijl de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelde dat Frankrijk verantwoordelijk is. De Franse autoriteiten hebben het terugnameverzoek van Nederland geaccepteerd, waardoor Nederland mag uitgaan van de verantwoordelijkheid van Frankrijk.
De vreemdeling voerde aan dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot schending van mensenrechten en dat medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, maar deze gronden faalden omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat Frankrijk tekortschiet in opvang of medische zorg.
Wel oordeelt de Raad van State dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de asielaanvraag niet in behandeling is genomen, terwijl het belang van de kinderen die in Nederland zijn opgegroeid en de Nederlandse taal spreken, een reden kan zijn om de aanvraag aan zich te trekken. Het besluit wordt daarom vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met inachtneming van de belangen van de kinderen.